Spring naar inhoud

Jaarrekening

10.1 Balans per 31 december 2022

(bedragen x € 1.000)       31-12-2022       31-12-2021
  Ref.              
ACTIVA                
                 
Beleggingen voor risico pensioenfonds 1              
Vastgoed beleggingen   222.874       206.783    
Aandelen   611.593       1.034.712    
Vastrentende waarden   955.762       1.244.179    
Derivaten   105.917       213.430    
Overige beleggingen   119.831       91.258    
        2.015.977       2.790.362
Vorderingen en overlopende activa 2     178.859       31.722
Overige activa 3     10.989       12.585
                 
TOTAAL ACTIVA       2.205.825       2.834.669
                 
PASSIVA                
                 
Stichtingskapitaal en reserves 4     399.607       500.526
Technische voorzieningen 5     1.547.690       2.094.761
Derivaten 6     246.053       47.625
Overige schulden en overlopende passiva 7     12.476       191.757
                 
TOTAAL PASSIVA       2.205.825       2.834.669

10.2 Staat van baten en lasten

(bedragen x € 1.000)       2022       2021
  Ref.              
BATEN                
                 
Premiebijdragen voor risico pensioenfonds 8     78.370       79.838
Beleggingsresultaten risico pensioenfonds 9     -691.381       96.111
Overige baten 10     5       31
                 
TOTAAL BATEN       -613.006       175.980
                 
LASTEN                
                 
Pensioenuitkeringen 11     19.773       17.554
Pensioenuitvoeringskosten 12     6.151       5.633
                 
Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds 13              
Pensioenopbouw   75.067       81.938    
Toeslagverlening   112.136       10.185    
Rentetoevoeging   -10.194       -11.876    
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -19.993       -18.204    
Wijziging marktrente   -719.887       -158.596    
Wijziging actuariële uitgangspunten   19.634       -18.439    
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -8.336       6.277    
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen   4.502       -2.842    
        -547.071       -111.557
Saldo overdrachten van rechten 14     9.055       -5.950
Overige lasten 15     5       0
                 
TOTAAL LASTEN       -512.087       -94.320
                 
SALDO VAN BATEN EN LASTEN       -100.919       270.300
                 
Bestemming van het saldo van baten en lasten                
Algemene reserve       -18.257       278.582
Weerstandsreserve       -82.662       -8.282
Totaal saldo van baten en lasten       -100.919       270.300

10.3 Kasstroomoverzicht

(bedragen x € 1.000)       2022        2021 
                 
Kasstroom uit pensioenactiveiten                
                 
Ontvangsten                
Ontvangen premies   76.442       79.085    
Ontvangen in verband met overdracht van rechten   14.858       12.168    
Ontvangen uitkeringen van herverzekeraars   0       1.302    
Overig ontvangsten   5       31    
        91.305       92.586
Uitgaven                
Betaalde pensioenuitkeringen   -19.820       -17.479    
Betaald in verband met overdracht van rechten   -23.913       -6.218    
Betaalde pensioenuitvoeringskosten   -6.410       -5.832    
        -50.143       -29.529
                 
Totaal kasstroom uit pensioenactiviteiten       41.162       63.057
                 
Kasstroom uit beleggingsactiviteiten                
                 
Ontvangsten                
Verkopen en aflossingen van beleggingen   2.070.928       1.278.464    
Ontvangen directe beleggingsopbrengsten   39.556       39.589    
        2.110.484       1.318.053
Uitgaven                
Aankopen beleggingen   -2.149.550       -1.376.985    
Betaalde kosten vermogensbeheer   -3.692       -3.334    
        -2.153.242       -1.380.319
                 
Totaal kasstroom uit beleggingsactiviteiten       -42.758       -62.266
                 
Netto kasstroom       -1.596       791
                 
Mutatie liquide middelen       -1.596       791
                 
Liquide middelen per 1 januari       12.585       11.794
Liquide middelen per 31 december       10.989       12.585
Mutatie liquide middelen       -1.596       791

10.4 Toelichting op de jaarrekening

10.4.1 Algemeen

Activiteiten
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Particuliere Beveiliging (hierna 'het pensioenfonds'), is statutair gevestigd te Amsterdam. De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41209638.

Het doel van het pensioenfonds is het nu en in de toekomst verstrekken van uitkeringen aan gepensioneerden en nabestaanden ter zake van ouderdom en overlijden; tevens verstrekt het pensioenfonds uitkeringen aan arbeidsongeschikte deelnemers. Het pensioenfonds geeft invulling aan de uitvoering van de pensioenregeling van de in de branche verplicht gestelde aangesloten werkgevers. Deze doelstelling is nader uitgewerkt in onder andere de statuten, het pensioenreglement, de uitvoeringsovereenkomst en de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) van het pensioenfonds.

Overeenstemmingsverklaring
De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals deze zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en met inachtneming van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn 610 Pensioenfondsen.

Het bestuur heeft op 14 juni 2023 de jaarrekening vastgesteld.

Referenties
In de balans en de staat van baten en lasten zijn referenties opgenomen waarmee wordt verwezen naar de toelichting.

10.4.2 Grondslagen

Algemene grondslagen

Alle bedragen in de jaarrekening zijn vermeld in € 1.000, mits anders is aangegeven. De grondslagen zijn ongewijzigd ten opzichte van vorig boekjaar, tenzij anders is aangegeven.

Continuïteitsveronderstelling
De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de continuïteitsveronderstelling. 

Opname van een actief of een verplichting
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar het pensioenfonds zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot een actief of verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting wordt niet langer in de balans opgenomen. Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde. Dit betekent dat transacties worden verwerkt op handelsdatum en niet op afwikkelingsdatum. Als gevolg hiervan kan sprake zijn van een post "nog af te wikkelen transacties". Deze post kan zowel een actief als een passief zijn.

Verantwoording van baten en lasten
Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Saldering van een actief en een verplichting
Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als nettobedrag in de balans opgenomen indien sprake is van een wettelijke of contractuele bevoegdheid om het actief en de verplichting gesaldeerd en gelijktijdig af te wikkelen en bovendien de intentie bestaat om de posten op deze wijze af te wikkelen. De met de gesaldeerd opgenomen financiële activa en financiële verplichtingen samenhangende rentebaten en rentelasten worden eveneens gesaldeerd opgenomen.

Vreemde valuta

Functionele valuta
De jaarrekening is opgesteld in euro's, zijnde de functionele en presentatievaluta van het pensioenfonds.

Transacties, vorderingen en schulden
Transacties in vreemde valuta gedurende de verslagperiode zijn in de jaarrekening verwerkt tegen de koers op transactiedatum. Activa en verplichtingen in vreemde valuta worden omgerekend naar euro's tegen de koers per balansdatum. De uit de afwikkeling en omrekening voortvloeiende koersverschillen komen ten gunste of ten laste van de staat van baten en lasten.

    31 december 2022   Gemiddeld 2022   31 december 2021   Gemiddeld 2021
                 
USD   1,0673   1,1011   1,1372   1,1788
GBP   0,8873   0,8628   0,8396   0,8665
JPY   140,8183   135,7073   130,9543   128,5982

Schattingen
De opstelling van de jaarrekening in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten.

De schattingen en hiermee verbonden veronderstellingen zijn gebaseerd op ervaringen uit het verleden en verschillende andere factoren die gegeven de omstandigheden als redelijk worden beschouwd. De uitkomsten hiervan vormen de basis voor het oordeel over de boekwaarde van activa en verplichtingen die niet op eenvoudige wijze uit andere bronnen blijkt. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze schattingen.

De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld.

Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten. Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting wordt herzien, en in toekomstige perioden waarvoor de herziening gevolgen heeft.

Schattingswijzigingen
In september 2022 heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap de Prognosetafel AG2022 gepubliceerd. Uw pensioenfonds is per 30 november 2022 overgegaan op deze prognosetafel. Dit heeft een verhogend effect op de voorziening pensioenverplichtingen van € 12.948  en daardoor een negatief effect op de dekkingsgraad van 1,0%-punt. Ook heeft een aanpassing van de correctiefactoren op de sterftekansen plaatsgevonden. Deze aanpassing is ook per 30 november 2022 doorgevoerd. Dit heeft een verlagend effect op de voorziening pensioenverplichtingen van € 1.996 en daardoor een positief effect op de dekkingsgraad van 0,2%-punt.

De PVI-opslag is verhoogd van 8,5% naar 10,5%. Dit heeft een verhogend effect op de technische voorziening met € 3.355 en een verlagend effect op de dekkingsgraad van -0,3%-punt.

Met ingang van 2023 is het opbouwpercentage op de toekomstige opbouw van arbeidsongeschikten verhoogd van 1,35% naar 1,60%. Deze aanpassing heeft geleid tot een stijging van de technische voorzieningen met € 5.327 en een negatief effect op de dekkingsgraad van -0,4%-punt.

Dekkingsgraden
De beleidsdekkingsgraad is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de dekkingsgraden over de laatste 12 maanden. Hierbij wordt steeds gebruik gemaakt van de meest actuele inschatting van de betreffende dekkingsgraden.

De (actuele) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de kortlopende schulden (inclusief negatieve derivatenpositie) te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Beleggingen

Algemeen
De beleggingen worden gewaardeerd tegen reële waarde.

De beleggingen van het pensioenfonds worden gewaardeerd tegen de reële waarde per balansdatum. Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het pensioenfonds kan gebruik worden gemaakt van genoteerde marktprijzen. Derivaten worden gewaardeerd door gebruik te maken van netto contante waarde berekeningen. Bepaalde instrumenten, zoals participaties in beleggingsfondsen worden gewaardeerd door gebruik te maken van de intrinsieke waarde. Het is gebruikelijk en mogelijk om de reële waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen.

Voor financiële instrumenten zoals beleggingsvorderingen en -schulden geldt dat de boekwaarde de reële waarde benadert als gevolg van het korte termijn karakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de reële waarde.

Vorderingen, schulden en liquide middelen uit beleggingen welke samenhangen met een specifieke beleggingscategorie worden als vorderingen dan wel schulden opgenomen in de betreffende beleggingscategorie.

Verwerking van waardeveranderingen van beleggingen
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen.

Vastgoedbeleggingen
Participaties in vastgoedfondsen die beleggen in vastgoed worden gewaardeerd tegen reële waarde per 31 december van het boekjaar welke is bepaald op basis van het aandeel in de nettovermogenswaarde van het vastgoedfonds.

De reële waarde van de Nederlandse vastgoedfondsen is bepaald middels gedurende het jaar uitgevoerde externe taxaties. Per kwartaal wordt een kwart van het aantal registergoederen op basis van "full valuation" getaxeerd door externe taxateurs, conform de richtlijnen ROZ/IPD. De beheerder bepaalt aan het begin van ieder jaar welke registergoederen in welk kwartaal worden getaxeerd. Dit dient een representatieve doorsnede te zijn van de gehele portefeuille. Het deel dat niet extern wordt getaxeerd zal door de externe taxateur een markttechnische update krijgen. De waarde wordt vastgesteld op basis van de externe taxatie welke eerder in het jaar is verricht en wordt opnieuw uitvoerig bekeken en herberekend met de laatste marktgegevens, verhuringen, leegstanden en andere object specifieke omstandigheden.

De reële waarde van de vastgoedfondsen die in internationaal vastgoed beleggen (AREA Funds) worden gewaardeerd op basis van de door de onderliggende vastgoedfondsen opgegeven beleggingswaarden van die fondsen, zoals deze op het moment van waardering aan de Beheerder ter beschikking staan. Overige vermogensbestanddelen van het pensioenfonds worden gewaardeerd volgens algemeen aanvaarde verslaggevingsgrondslagen. De internationale beleggingen zijn allemaal in een fund-to-fund structuur opgezet en afhankelijk van het onderliggende fonds wordt de taxatie 1x per kwartaal, 1x per jaar, of anders uitgevoerd. Hier is geen algemene afspraak over. Wel analyseert de vermogensbeheerder te allen tijde de waarde mutaties elk kwartaal en zal bij grote sprongen altijd navraag worden gedaan bij het betreffende onderliggende fonds.

Aandelen
Beursgenoteerde aandelen worden gewaardeerd tegen de officiële slotkoersen per balansdatum.

Participaties in niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen die beleggen in aandelen worden gewaardeerd op het aandeel in de nettovermogenswaarde van het beleggingsfonds.

Vastrentende waarden
Beursgenoteerde obligaties waarbij sprake is van een actieve markt worden gewaardeerd tegen de officiële slotkoersen, verhoogd met de lopende rente.

Participaties in niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen die beleggen in obligaties worden gewaardeerd op het aandeel in de nettovermogenswaarde van het beleggingsfonds.

Participaties in niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen die beleggen in hypothecaire leningen worden gewaardeerd op reële waarde, hiervoor wordt nettovermogenswaarde gehanteerd zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder.

Derivaten
De valutaderivaten en niet-beursgenoteerde derivaten worden gewaardeerd op basis van een model waarbij de variabelen uit actieve markten worden afgeleid of waarbij een of meerdere variabelen niet uit een actieve markt zijn af te leiden.

Creditposities in derivaten, voor zover niet voldaan aan salderingsvereisten, worden separaat verantwoord aan de passiva zijde van de balans.

Overige beleggingen

Infrastructuurfondsen
Participaties in niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen die beleggen in infrastructuur worden gewaardeerd op het aandeel in de nettovermogenswaarde van het beleggingsfonds zoals gepubliceerd door de fondsbeheerder.

Securities lending
Het pensioenfonds neemt deel aan een securities-lendingprogramma, waarbij bepaalde effecten voor een korte periode worden uitgeleend aan andere marktpartijen. Beleggingen die in het kader van een securities-lendingcontract worden uitgeleend, blijven deel uitmaken van de balans en worden gewaardeerd conform de grondslag voor waardering en resultaatbepaling zoals die geldt voor deze beleggingen. Indien uit hoofde van een securities-lendingprogramma als zekerheid beleggingen zijn ontvangen worden deze beleggingen en de daarmee samenhangende verplichtingen niet in de balans van het pensioenfonds opgenomen. Alle uit het securities-lendingprogramma voortvloeiende baten en lasten worden volgens het toerekenbeginsel over de looptijd van de desbetreffende transacties verantwoord in de beleggingsresultaten in de staat van baten en lasten.

Vorderingen en overlopende activa
Vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten) onder aftrek van eventuele bijzondere waardeverminderingen, indien sprake is van oninbaarheid.

Liquide middelen
Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd. Onder de liquide middelen zijn opgenomen die kas- en banktegoeden die onmiddellijk opeisbaar zijn dan wel een looptijd korter dan twaalf maanden hebben. Zij worden onderscheiden van tegoeden in verband met beleggingstransacties. Liquide middelen uit hoofde van beleggingstransacties worden gepresenteerd onder de beleggingen.

Stichtingskapitaal en reserves
Stichtingskapitaal en reserves worden bepaald door het bedrag dat resteert nadat alle actiefposten en posten van het vreemd vermogen, inclusief de technische voorzieningen, volgens de van toepassing zijnde waarderingsgrondslagen in de balans zijn opgenomen.

Algemene reserve
Deze reserve is dat deel van het vermogen dat resteert nadat via de resultaatbestemming de vereiste reserves, de weerstandsreserve, op het gewenste niveau zijn gebracht.

Weerstandsreserve
De hoogte van de weerstandsreserve is minimaal gelijk aan nul en maximaal gelijk aan de grens die in het Financieel ToetsingsKader is gesteld voor het vereist vermogen.

Technische voorzieningen

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds
De voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds wordt gewaardeerd op actuele waarde (marktwaarde). De actuele waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van de beste inschatting van toekomstige kasstromen die samenhangen met de op balansdatum onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen.

Onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen zijn de opgebouwde nominale aanspraken en de onvoorwaardelijke (toezeggingen tot) toeslagen.

Voor de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds worden de opgebouwde pensioenaanspraken contant gemaakt op basis van de rentetermijnstructuur, zoals door De Nederlandsche Bank gepubliceerd per de datum van vaststelling.

Het verloop van de voorziening pensioenverplichtingen in 2022 is gebaseerd op grondslagen van ultimo 2021, met uitzondering van de volgende wijzigingen:

  • Voor de overlevingskansen van mannen en vrouwen wordt gebruik gemaakt van de gepubliceerde AG Prognosetafel AG2022 opgesteld door het Koninklijk Actuarieel Genootschap.
  • Voor de correctiefactoren op de sterftekansen is gebruik gemaakt van de fondsspecifieke ervaringssterfte op basis van het Ervaringssterftemodel 2022 van Willis Towers Watson.
  • De opslag op de actuariële koopsom ter dekking van het risico van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid (PVI-opslag) is in 2022 verhoogd van 8,5% naar 10,5% van de actuariële koopsom, exclusief excassokosten en exclusief risicokoopsom.
  • Met ingang van 2023 is het opbouwpercentage op de toekomstige opbouw van arbeidsongeschikten verhoogd van 1,35% naar 1,60%.

Gelijk gebleven grondslagen:

  • De voorziening pensioenverplichtingen wordt berekend als de contante waarde van de op de balansdatum opgebouwde pensioenen inclusief de eventueel op 31 december toe te kennen verhoging in verband met toeslagverlening.
  • Voor arbeidsongeschikte deelnemers wordt de voorziening pensioenverplichtingen voor het arbeidsongeschikte deel berekend als de contante waarde van de op de pensioendatum, of de AOW- datum als deze eerder is, in uitzicht gestelde pensioenen bij een tot die datum voorgezette pensioenopbouw.
  • De leeftijd wordt in jaren en maanden nauwkeurig vastgesteld, waarbij is aangenomen dat deelnemers zijn geboren op de eerste dag van de geboortemaand.
  • Voor niet gepensioneerde deelnemers is een leeftijdsverschil gehanteerd van 3,5 jaar, waarbij de man ouder is dan de vrouw.
  • Vóór de pensioenleeftijd wordt het systeem van onbepaalde partner gehanteerd met daarbij horende partnerfrequenties. Op pensioenleeftijd is de partnerfrequentie 100% en wordt overgeschakeld naar het systeem van bepaalde partner.
  • Voor latent wezenpensioen is de voorziening pensioenverplichtingen voor latent nabestaandenpensioen, ten behoeve van (huwelijks)partners van verzekerden jonger dan 67 jaar, verhoogd met 1,5%.
  • Voor de wezen zijn geen sterftekansen in aanmerking genomen.
  • Voor toekomstige uitvoeringskosten wordt 3% van de netto voorziening pensioenverplichtingen opgenomen in de stand ultimo 2022. 
  • Om rekening te houden met revalidatie wordt de voorziening pensioenverplichting voor de premievrije toekomstige opbouw bij arbeidsongeschiktheid verlaagd met 10%.

Overige schulden en overlopende passiva
Overige schulden en overlopende passiva worden bij eerste verwerking gewaardeerd op reële waarde. Na eerste verwerking worden schulden gewaardeerd op geamortiseerde kostprijs (gelijk aan de nominale waarde indien geen sprake is van transactiekosten).

Kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan één jaar.

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Algemeen
De in de staat van baten en lasten opgenomen posten zijn in belangrijke mate gerelateerd aan de in de balans gehanteerde waarderingsgrondslagen voor beleggingen en de voorziening pensioenverplichtingen. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde resultaten worden rechtstreeks verantwoord in het resultaat. Baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop deze betrekking hebben.

Premiebijdragen (van werkgevers en werknemers)
Onder premiebijdragen van werkgevers en werknemers wordt verstaan de aan derden in rekening gebrachte c.q. te brengen bedragen voor de in het verslagjaar verzekerde pensioenen onder aftrek van kortingen. Premies zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

Indirecte beleggingsopbrengsten
Onder de indirecte beleggingsopbrengsten worden verstaan de gerealiseerde en ongerealiseerde waarde wijzigingen en valutaresultaten. In de jaarrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van beleggingen. Alle waardeveranderingen van beleggingen, inclusief valutakoersverschillen, worden als beleggingsopbrengsten in de staat van baten en lasten opgenomen. Aankoopkosten zijn verwerkt in de reële waarde van de beleggingen. Verkoopkosten worden verantwoord als onderdeel van de herwaarderingen.

Directe beleggingsopbrengsten
Onder de directe beleggingsopbrengsten wordt in dit verband verstaan rentebaten en -lasten, dividenden, huuropbrengsten en soortgelijke opbrengsten. Dividend wordt verantwoord op het moment van betaalbaarstelling.

Kosten vermogensbeheer
Onder kosten van vermogensbeheer worden zowel de externe als de daaraan toegerekende interne kosten verstaan.

Verrekening van kosten
Met de directe en indirecte beleggingsopbrengsten zijn verrekend de aan de opbrengsten gerelateerde transactiekosten, provisies, valutaverschillen e.d.

Pensioenuitkeringen
De pensioenuitkeringen betreffen de aan deelnemers uitgekeerde bedragen inclusief afkopen. De pensioenuitkeringen zijn berekend op actuariële grondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.

Pensioenuitvoeringskosten
De pensioenuitvoeringskosten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

Pensioenopbouw
Bij de pensioenopbouw zijn aanspraken en rechten over het boekjaar gewaardeerd naar het niveau dat zij op balansdatum hebben.

Indexering en overige toeslagen
Het pensioenfonds streeft ernaar de opgebouwde pensioenrechten van de actieve en niet actieve deelnemers per 31 december jaarlijks te verhogen op 1 januari met de stijging van het consumentenprijsindexcijfer alle bestedingen, afgeleid. De toeslagverlening heeft een voorwaardelijk karakter, die afhankelijk is van de financiële positie van het pensioenfonds. Dit betekent dat geen recht op toeslagen bestaat en dat het niet zeker is of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening kan plaatsvinden. Een eventuele achterstand in de toeslagverlening kan in principe worden ingehaald.

Rentetoevoeging
De voorziening pensioenverplichtingen is opgerent met -0,486% (2021: -0,533%), op basis van de éénjaarsrente van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur aan het einde van het voorgaande verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Vooraf wordt een actuariële berekening gemaakt van de toekomstige pensioenuitvoeringskosten (met name excassokosten) en pensioenuitkeringen die in de voorziening pensioenverplichtingen worden opgenomen. Deze post betreft de vrijval ten behoeve van de financiering van de kosten en uitkeringen van het verslagjaar.

Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de marktwaarde van de technische voorzieningen herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder het hoofd wijziging marktrente.

Wijzigingen actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.

De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening voor pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het pensioenfonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten
Een resultaat op overdrachten kan ontstaan doordat de vrijval van de voorziening plaatsvindt tegen fondstarieven, terwijl het bedrag dat wordt overgedragen gebaseerd is op de wettelijke factoren voor waardeoverdrachten. De tarieven van het pensioenfonds wijken af van de wettelijke tarieven.

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen
De overige mutaties ontstaan onder andere door mutaties in de aanspraken door overlijden, arbeidsongeschiktheid en pensioneren.

Saldo overdrachten van rechten
De post saldo overdrachten van rechten bevat het saldo van bedragen uit hoofde van overgenomen dan wel overgedragen pensioenverplichtingen.

Overige baten
Overige baten zijn toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is volgens de directe methode opgesteld. Alle ontvangsten en uitgaven worden hierbij als zodanig gepresenteerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen kasstromen uit pensioenactiviteiten en beleggingsactiviteiten.

10.5 Toelichting op de balans per 31 december 2022

ACTIVA

1. Beleggingen voor risico pensioenfonds

    Vastgoed beleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2022   206.783   1.034.712   1.244.179   165.805   91.258   2.742.737
Aankopen   12.274   134.690   1.648.391   0   15.433   1.810.788
Verkopen   -9.022   -436.628   -1.703.810   80.064   -1.533   -2.070.928
Herwaardering   12.839   -121.182   -232.998   -386.005   3.870   -723.477
Mutatie liquide middelen   0   0   0   0   10.804   10.804
Stand per 31 december 2022   222.874   611.593   955.762   -140.136   119.831   1.769.925
Schuldpositie derivaten (credit)                       246.053
Totaal                       2.015.977

De verwerking van de beleggingen in de jaarrekening 2022 is gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. Voor de inzichtelijkheid en de leesbaarheid is ervoor gekozen om geen saldering meer toe te passen op de rentederivaten. Dit betekent dat alle vorderingen en schulden van de rentederivaten per 31 december niet meer gesaldeerd worden opgenomen, maar afzonderlijk worden weergegeven. Het pensioenfonds maakt nog wel gebruik van central clearing binnen de beleggingen.

Daarnaast is ervoor gekozen om de vorderingen en schulden met betrekking tot de beleggingen niet meer te presenteren onder de verschillende asset categorieën binnen de beleggingen, maar deze op te nemen onder de overige vorderingen en overige schulden in de jaarrekening. De liquide middelen binnen de beleggingsportefeuille zijn opgenomen onder de 'Overige beleggingen'.

De vergelijkende cijfers voor 2021 zijn ook aangepast op basis van bovenstaande aanpassingen in de jaarrekening 2022.

In bovenstaand verloopoverzicht zijn de aankopen en verkopen van fx forwards gesaldeerd opgenomen.

Het bedrag aan negatieve derivaten van € 246.053 bestaat voor € 245.409 uit rentederivaten en voor € 644 uit valutaderivaten. Een toelichting inzake de derivatenposities is weergegeven in paragraaf 10.6 Risicobeheer bij de 'Derivaten'.

    Vastgoed beleggingen   Aandelen   Vastrentende waarden   Derivaten   Overige beleggingen   Totaal
                         
Stand per 1 januari 2021   200.774   931.641   1.053.129   341.696   202.578   2.729.818
Aankopen   54.736   41.922   1.126.332   0   13.856   1.236.845
Verkopen   -90.024   -159.414   -904.392   18.760   -143.393   -1.278.463
Herwaardering   41.297   220.563   -30.890   -194.651   26.704   63.023
Mutatie liquide middelen   0   0   0   0   -8.486   -8.486
Stand per 31 december 2021   206.783   1.034.712   1.244.179   165.805   91.258   2.742.737
Schuldpositie derivaten (credit)                       47.625
Totaal                       2.790.362

Vastgoedbeleggingen

    31-12-2022   31-12-2021
         
Participatie vastgoedbeleggingsfondsen   198.985   181.038
Indirect vastgoedbeleggingen, beursgenoteerd   23.889   25.745
Totaal   222.874   206.783

Aandelen

    31-12-2022   31-12-2021
         
Beusgenoteerde aandelen   529.331   905.425
Aandelen beleggingsfondsen   82.262   129.287
Totaal   611.593   1.034.712

Vastrentende waarden

    31-12-2022   31-12-2021
         
Obligaties beursgenoteerd   588.463   711.356
Hypothekenfondsen   144.628   155.589
Obligatiebeleggingsfondsen   222.671   377.234
Totaal   955.762   1.244.179

Derivaten

    31-12-2022   31-12-2021
         
Valutaderivaten   12.538   1.103
Rentederivaten   93.379   212.327
Totaal   105.917   213.430

Het pensioenfonds heeft eind 2022 € 136.127 (2021: € 170.037) aan onderpand ontvangen in de vorm van liquiditeiten en € 113.563 aan onderpand verstrekt in de vorm van (staats) obligaties als initial margin als gevolg van de negatieve waardeontwikkeling van de derivaten. Het ontvangen onderpand staat niet ter vrije beschikking. De verstrekte (staats)obligaties zijn verantwoord onder de vastrentende waarden.

Voor de toelichting op de derivaten wordt verder verwezen naar paragraaf 10.6 Risicobeheer bij de 'Derivaten'. 

Overige beleggingen

    31-12-2022   31-12-2021
         
Infrastructuurfondsen   106.533   88.763
Liquide middelen   13.298   2.495
Totaal   119.831   91.258

Schattingen en oordelen
Zoals vermeld in de toelichting zijn de beleggingen van het pensioenfonds nagenoeg allemaal gewaardeerd tegen reële waarde per balansdatum en is het over het algemeen mogelijk en gebruikelijk om de reële waarde binnen een aanvaardbare bandbreedte van schattingen vast te stellen. Voor sommige andere financiële instrumenten, zoals beleggingsvorderingen en -schulden, geldt dat de boekwaarde de reële waarde benadert als gevolg van het kortetermijnkarakter van de vorderingen en schulden. De boekwaarde van alle activa en de financiële verplichtingen op balansdatum benadert de reële waarde.

Voor de meerderheid van de financiële instrumenten van het pensioenfonds kan gebruik worden gemaakt van marktnoteringen. Echter, bepaalde financiële instrumenten, zoals bepaalde vastgoedbeleggingen zijn gewaardeerd door middel van gebruikmaking van waarderingsmodellen en -technieken, inclusief verwijzing naar de huidige reële waarde van vergelijkbare instrumenten. Op basis van de boekwaarde kan het volgende onderscheid worden gemaakt:

31 december 2022   Directe
markt-noteringen
  Afgeleide markt-noteringen   Waarderings-
modellen
  Totaal
                 
Vastgoed beleggingen   23.842   0   199.032   222.874
Aandelen   529.331   82.262   0   611.593
Vastrentende waarden   643.713   167.421   144.629   955.762
Derivaten   0   -140.136   0   -140.136
Overige beleggingen   0   119.831   0   119.831
Totaal per 31 december 2022   1.196.886   229.378   343.660   1.769.925
31 december 2021   Directe
markt-noteringen
  Afgeleide markt-noteringen   Waarderings-
modellen
  Totaal
                 
Vastgoed beleggingen   25.599   0   181.184   206.783
Aandelen   905.425   129.287   0   1.034.712
Vastrentende waarden   821.973   266.617   155.589   1.244.179
Derivaten   0   165.805   0   165.805
Overige beleggingen   0   91.258   0   91.258
Totaal per 31 december 2021   1.752.998   652.966   336.773   2.742.737

Vastgoed
Het deel van de waarde aan vastgoedbeleggingen dat is opgenomen op basis van waarderingsmodellen en - technieken bestaat alleen uit indirect vastgoed. De waarde is gebaseerd op de taxatiewaarde. De eerste waardering is verkrijgingsprijs inclusief transactiekosten. Deze taxaties worden verricht door verscheidene externe erkende taxateurs. Iedere externe taxateur hanteert, binnen de algemene richtlijnen zoals binnen de branche gelden, eigen uitgangspunten. De richtlijnen binnen de branche geven aan dat voor de waardebepaling in dit geval moet worden uitgegaan van de verkoopwaarde van een object met als doelstelling om met het object huurinkomsten te genereren. Als basis wordt hiervoor een contante waardeberekening gebruikt van de toekomstige kasstromen.

Vastrentende waarden
Het deel van de vastrentende waarden waarvan de reële waarde op basis van schatting wordt vastgesteld, betreft volledig hypotheken.

2. Vorderingen en overlopende activa

    31-12-2022   31-12-2021
         
Beleggingsvorderingen   159.949   14.726
Vorderingen werkgevers   18.776   16.977
Vorderingen op deelnemers van het pensioenfonds   117   2
Overige vorderingen en overlopende activa   17   17
Totaal   178.859   31.722

Voor de specificatie van de beleggingsvorderingen is onderstaand een tabel opgenomen. 

De vorderingen op werkgevers betreffen de premies voor november en december van € 12.131 (2021: € 12.498). Daarnaast nog openstaande premie over het huidig jaar van € 6.930 (2021: € 4.744) en voorgaand jaar van € 230 (2021: € 240). De voorziening dubieuze debiteuren van € 515 is hierop in mindering gebracht. Zie voor de specificatie hiervan de onderstaande tabellen 

De overige vorderingen en overlopende activa bestaan uit vooruitbetaalde verzekeringskosten.

Alle vorderingen hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.

Beleggingsvorderingen

    31-12-2022   31-12-2021
         
Nog af te wikkelen transacties   1.624   162
Te vorderen dividend   1.309   2.112
Te vorderen dividendbelasting   1.237   937
Lopende interest   19.009   11.503
Collateral   136.127   0
Overige beleggingsvorderingen   643   12
Totaal   159.949   14.726

Vordering werkgevers

    31-12-2022   31-12-2021
         
Vorderingen op werkgevers   19.291   17.482
Voorziening dubieuze debiteuren   -515   -505
Totaal   18.776   16.977

Verloop van de voorziening dubieuze debiteuren

    31-12-2022   31-12-2021
         
Stand per 1 januari   505   647
Afgeschreven vorderingen   -23   -240
Dotatie ten laste van de rekening van baten en lasten   33   98
Stand per 31 december   515   505

3. Overige activa

    31-12-2022   31-12-2021
         
Liquide middelen   10.989   12.585
Totaal   10.989   12.585

Onder de overige activa worden opgenomen de tegoeden op bankrekeningen die onmiddellijk danwel op korte termijn opeisbaar zijn. Bankrekeningen die beheerd worden door de vermogensbeheerder, zijn onder de betreffende beleggingscategorieën gerubriceerd.

Er is geen kredietfaciliteit van toepassing.

PASSIVA

4. Stichtingskapitaal en reserves

    Algemene reserve   Weerstands-
reserve
  Totaal
             
Stand per 1 januari 2021   -210.694   440.920   230.226
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   278.582   -8.282   270.300
Stand per 31 december 2021   67.888   432.638   500.526
Uit bestemmingssaldo van baten en lasten   -18.257   -82.662   -100.919
Stand per 31 december 2022   49.631   349.976   399.607

Het weerstandsreserve wordt meegenomen in de berekening van de (actuele) dekkingsgraad.

Dekkingsgraden, vermogenspositie en herstelplan
De dekkingsgraden zijn ultimo jaar als volgt:

    31-12-2022   31-12-2021
         
Nominale dekkingsgraad   125,8%   123,9%
Beleidsdekkingsgraad   129,0%   117,5%

De (nominale) dekkingsgraad van het pensioenfonds wordt berekend door op balansdatum het balanstotaal minus de kortlopende schulden (inclusief de negatieve derivatenpositie) te delen op de technische voorzieningen zoals opgenomen in de balans.

De beleidsdekkingsgraad is het rekenkundig gemiddelde van de nominale dekkingsgraden van de laatste 12 maanden. Bij de bepaling van de beleidsdekkingsgraad wordt steeds gebruik gemaakt van de meest actuele inschatting van de betreffende dekkingsgraden.

Voor het bepalen van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitstoets) maakt het pensioenfonds gebruik van het standaard model van DNB. Het bestuur acht het gebruik van het standaardmodel passend voor de risico's van het pensioenfonds. De uitkomsten van de solvabiliteitstoets zijn opgenomen in paragraaf 10.6 Risicobeheer.

Op basis hiervan bedraagt het (minimaal) vereist vermogen op 31 december:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Stichtingskapitaal en reserves   399.607   125,8%   500.526   123,9%
Minimaal vereist eigen vermogen   66.943   104,3%   90.708   104,3%
Vereist eigen vermogen   349.976   122,6%   432.638   120,7%

Als het eigen vermogen lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen bevindt het pensioenfonds zich in een situatie van dekkingstekort. Indien het eigen vermogen lager is dan het vereist eigen vermogen, maar wel tenminste gelijk is aan het minimaal vereist eigen vermogen, bevindt het pensioenfonds zich in een situatie van reservetekort.

De vermogenspositie van het pensioenfonds kan als gevolg van bovenstaande worden gekarakteriseerd als een toereikende solvabiliteit (2021: idem).

Herstelplan
DNB heeft op 27 januari 2022 laten weten dat voor het pensioenfonds geen herstelplan hoefde in te dienen. Waar eerder de beleidsdekkingsgraad leidend was voor het herstelplan, heeft DNB besloten dat ondanks het feit dat er wettelijk gezien een tekort is, geen herstelplan ingediend hoeft te worden als de gerapporteerde actuele dekkingsgraad per 31 december 2021 (123,9%) hoger is dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen (120,7%).

Per 31 december 2022 is de beleidsdekkingsgraad (129,0%) hoger dan de vereiste dekkingsgraad per 31 december 2022 (122,6%), waardoor het pensioenfonds uit herstel is. 

Voorstel tot resultaatbestemming
Ten aanzien van de bestemming van het saldo van baten en lasten is geen bepaling opgenomen in de statuten van het pensioenfonds. De bestemming is nader uitgewerkt in de ABTN. Het voorstel van de verdeling van het negatieve resultaat over boekjaar 2022 van € 100.919 is als volgt:

    31-12-2022   31-12-2021
         
Algemene reserve   -18.257   278.582
Weerstandsreserve   -82.662   -8.282
    -100.919   270.300

5. Technische Voorzieningen

Voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

    31-12-2022   31-12-2021
         
Stand per 1 januari   2.094.761   2.206.318
Pensioenopbouw   75.067   81.938
Toeslagverlening   112.136   10.185
Rentetoevoeging   -10.194   -11.876
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -19.993   -18.204
Wijziging marktrente   -719.887   -158.596
Wijziging actuariële uitgangspunten   19.634   -18.439
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -8.336   6.277
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen   4.502   -2.842
Stand per 31 december   1.547.690   2.094.761

Ultimo boekjaar bedraagt de gemiddelde gewogen discontovoet 2,43% (2021: 0,62%).

Pensioenopbouw
Onder pensioenopbouw is opgenomen de actuarieel berekende waarde van de diensttijdopbouw. Dit is het effect op de voorziening pensioenverplichtingen van de in het verslagjaar opgebouwde nominale rechten ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Verder is hierin begrepen het effect van de individuele salarisontwikkeling. Het opbouwpercentage is verlaagd van 1,36% per 1 januari 2021 naar 1,35% per 1 januari 2022.

Toeslagverlening
Het pensioenfonds streeft ernaar de opgebouwde pensioenrechten van de actieve en niet actieve deelnemers per 31 december jaarlijks te verhogen op 1 januari met de stijging van het Consumentenprijsindexcijfer alle bestedingen, afgeleid. De toeslagverlening heeft een voorwaardelijk karakter, die afhankelijk is van de financiële positie van het pensioenfonds. Dit betekent dat geen recht op toeslagen bestaat en dat het niet zeker is of en in hoeverre in de toekomst toeslagverlening kan plaatsvinden. Een eventuele achterstand in de toeslagverlening kan in principe worden ingehaald.

Per 1 januari 2023 is een toeslag verleend van 7,0% (2022: 0,50%) aan de actieve en niet actieve deelnemers. Er zijn geen inhaaltoeslagen verleend.

Rentetoevoeging
De voorziening pensioenverplichtingen is opgerent met -0,486% (2021: -0,533%), op basis van de éénjaarsrente van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur aan het einde van het voorgaande verslagjaar.

Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringskosten
Verwachte toekomstige pensioenuitkeringen worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de pensioenuitkeringen in de verslagperiode.

Toekomstige pensioenuitvoeringskosten (in het bijzonder excassokosten) worden vooraf actuarieel berekend en opgenomen in de voorziening pensioenverplichtingen. De onder dit hoofd opgenomen afname van de voorziening betreft het bedrag dat vrijkomt ten behoeve van de financiering van de verwachte uitvoeringskosten in de verslagperiode.

Wijziging marktrente
Jaarlijks wordt per 31 december de voorziening pensioenverplichtingen herrekend door toepassing van de actuele rentetermijnstructuur. Het effect van de verandering van de rentetermijnstructuur wordt verantwoord onder het hoofd wijziging marktrente.

Daarnaast heeft DNB in 2020 ervoor gekozen om de nieuwe UFR-methode gefaseerd in te voeren. De tweede aanpassing heeft per 1 januari 2022 plaatsgevonden. Het totale effect van de wijziging van de rente bedraagt  € -719.887. Hiervan wordt € -723.371 veroorzaakt door de reguliere wijziging van de (markt)rente en € 3.484 door de aanpassing van de UFR-methodiek.

Wijziging actuariële uitgangspunten
Jaarlijks worden de actuariële grondslagen en/of methoden beoordeeld en mogelijk herzien ten behoeve van de berekening van de actuele waarde van de pensioenverplichtingen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interne en externe actuariële deskundigheid. Dit betreft onder meer de vergelijking van veronderstellingen ten aanzien van sterfte, langleven, arbeidsongeschiktheid met werkelijke waarnemingen, zowel voor de gehele bevolking als voor de populatie van het pensioenfonds.

De vaststelling van de toereikendheid van de voorziening pensioenverplichtingen is een inherent onzeker proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van schattingen en oordelen door het bestuur van het pensioenfonds. Het effect van deze wijzigingen wordt verantwoord in het resultaat op het moment dat de actuariële uitgangspunten worden herzien.

In september 2022 heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap de Prognosetafel AG2022 gepubliceerd. Het pensioenfonds is per 30 november 2022 overgegaan op deze prognosetafel. Dit heeft een verhogend effect op de voorziening pensioenverplichtingen van € 12.948. Ook heeft een aanpassing van de correctiefactoren op de sterftekansen plaatsgevonden. Deze aanpassing is ook per 30 november 2022 doorgevoerd. Dit heeft een verlagend effect op de voorziening pensioenverplichtingen van € 1.996.

Daarnaast is de PVI-opslag verhoogd van 8,5% naar 10,5%. Dit heeft een verhogend effect op de voorziening pensioenverplichtingen met € 3.355.

Tenslotte is met ingang van 2023 is het opbouwpercentage van de toekomstige opbouw van de arbeidsongeschikten verhoogd van 1,35% naar 1,60%. Deze aanpassing heeft geleid tot een verhoging de voorziening pensioenverplichtingen met € 5.327.

Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten

    31-12-2022   31-12-2021
         
Toevoeging aan de technische voorziening   15.294   11.847
Onttrekking aan de technische voorziening   -23.630   -5.570
Totaal   -8.336   6.277

Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen

    31-12-2022   31-12-2021
         
Resultaat op kanssysteem:        
- Sterfte   -4.314   -4.592
- Arbeidsongeschiktheid   8.331   2.032
- Mutaties   485   -282
Totaal   4.502   -2.842

Het resultaat op sterfte is een gevolg van het feit dat de werkelijke sterfte afwijkt van de veronderstelde sterfte.

Actuariële resultaten op arbeidsongeschiktheid ontstaan doordat de werkelijke schade als gevolg van invalidering afwijkt van de in de premiestelling veronderstelde invalidering.

De voorziening voor pensioenverplichtingen is naar categorieën als volgt samengesteld:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
    Voorziening   Aantallen   Voorziening   Aantallen
                 
Actieven deelnemers   760.769   22.717   1.077.732   23.248
Pensioengerechtigden   285.117   5.734   319.761   5.296
Gewezen deelnemers   501.804   36.228   697.268   34.831
Totaal   1.547.690   64.679   2.094.761   63.375

Korte beschrijving pensioenregeling
De pensioenregeling van het pensioenfonds betreft een middelloonregeling.

Het ouderdomspensioen is gelijk aan 1,35% (2021: 1,36%) van de pensioengrondslag, waarover premie aan het pensioenfonds is betaald. De pensioengrondslag is gelijk aan het (gemaximeerde) pensioensalaris minus de franchise. Onder het pensioensalaris vallen alle elementen in het loon die meetellen bij het bepalen van de op te bouwen aanspraken. Het bijbehorend partnerpensioen bedraagt 70% van het ouderdomspensioen. Tevens is het wezenpensioen verzekerd.

Het bestuur van het pensioenfonds heeft de ambitie om toeslagen op de opgebouwde pensioenen te verlenen. De mate waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. Er bestaat geen recht op jaarlijkse toeslagverlening.

De mate waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente, rendement, looninflatie en demografie. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de toezegging voor toekomstige toeslagverlening voorwaardelijk is.

Het bestuur van het pensioenfonds hanteert de volgende leidraad voor het verlenen van toeslagen:

  • bij een beleidsdekkingsgraad onder de 110% wordt geen toeslag verleend;
  • bij een beleidsdekkingsgraad tussen de 110% en circa 135% (bovengrens) wordt gekeken welke toeslag kan worden toegekend op basis van de wettelijke voorschriften voor toekomstbestendige toeslagverlening;
  • bij een beleidsdekkingsgraad boven de circa 135% wordt volledige toeslag toegekend en wordt gekeken in hoeverre extra toeslagen kunnen worden toegekend.

Bij het toekennen van toeslagen kijkt het bestuur ook naar de economische situatie en kan worden afgeweken van het toeslagbeleid.

Het bestuur heeft op basis van de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad besloten een toeslag te verlenen per 1 januari 2023 van 7,0% aan de actieve en inactieve deelnemers van het pensioenfonds (2021: 0,50%). In het boekjaar zijn geen inhaaltoeslagen verleend.

6. Derivaten

    31-12-2022   31-12-2021
         
Derivaten   246.053   47.625
Totaal   246.053   47.625

Het bedrag aan negatieve derivaten bestaat voor € 245.409 (2021: € 46.499) uit rentederivaten en voor € 644 (2021: € 1.126) uit valutaderivaten. 

7. Overige schulden en overlopende passiva

    31-12-2022   31-12-2021
         
Schulden m.b.t. beleggingen   9.352   188.253
Te verrekenen premies   977   1.172
Pensioenuitkeringen   9   6
Belastingen en premie sociale verzekeringen   442   377
Vermogensbeheerkosten   1.016   1.015
Administratiekosten   315   411
Overige schulden en overlopende passiva   365   523
Totaal   12.476   191.757

De schulden m.b.t. beleggingen bestaan uit de lopende interest (€ 8.791), nog af te wikkelen transacties (€ 386) en overige schulden uit beleggingen (€ 175).  

De te verrekenen premies betreffen opgelegde ambtshalve facturen, waar geen opbouw tegenover staat in de voorziening pensioenverplichtingen, maar wel zijn opgenomen onder de premiebaten.

De administratiekosten betreffen de kosten voor TKP Pensioen B.V. voor de afrekening 2022 (€ 256). Daarnaast zijn hieronder de nog te betalen kosten bestuursondersteuning van Montae Bestuurscentrum B.V. verantwoord (€ 59).

De overige schulden en overlopende passiva bestaan uit de nog te betalen bestuurskosten (€ 101), kosten voor de accountantscontrole (€ 69), kosten voor de certificerend actuaris (€ 41) en overige schulden (€ 155).

Alle schulden hebben een resterende looptijd van korter dan één jaar.

10.6 Risicobeheer

Het pensioenfonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. De belangrijkste doelstelling van het pensioenfonds is het nakomen van de pensioentoezeggingen. Voor het realiseren van deze doelstelling wordt gestreefd naar een toereikende solvabiliteit op basis van de reële waarde van de pensioenverplichtingen.

Het pensioenfonds wordt bij het beheer van de pensioenverplichtingen en de financiering daarvan geconfronteerd met risico's. De belangrijkste doelstelling van het pensioenfonds is het nakomen van de pensioentoezeggingen. Het solvabiliteitsrisico is daarmee het belangrijkste risico voor het pensioenfonds.

Het bestuur heeft de mogelijke risico’s van het pensioenfonds in kaart gebracht en bepaald hoe het bestuur met deze risico’s om wil gaan. Op basis van een actueel en volledig beeld van alle relevante risico’s kan het bestuur gepaste beheersmaatregelen nemen en is het bestuur in control. Dit vormt mede de basis voor het beleid van het pensioenfonds en toelichting hierna. Dit beleid is verwoord in de ABTN van het pensioenfonds. Het bestuur beschikt over een aantal beleidsinstrumenten ten behoeve van het beheersen van de risico's. Deze beleidsinstrumenten betreffen:

  • Beleggingsbeleid;
  • Premiebeleid;
  • Herverzekeringsbeleid;
  • Toeslagbeleid.

De keuze en toepassing van beleidsinstrumenten vindt plaats na uitvoerige analyses ten aanzien van te verwachten ontwikkelingen van de verplichtingen en de financiële markten. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van de Asset Liability Management-studie (ALM-Studie) die in 2020 is uitgevoerd. Een ALM-studie is een analyse van de structuur van de pensioenverplichtingen en van verschillende beleggingsstrategieën en de ontwikkeling daarvan in diverse economische scenario's.

De uitkomsten van deze analyses vinden hun weerslag in jaarlijks door het bestuur vast te stellen beleggingsrichtlijnen als basis voor het uit te voeren beleggingsbeleid. De beleggingsrichtlijnen geven normen en limieten aan waarbinnen de uitvoering van het beleggingsbeleid door de vermogensbeheerders moet plaatsvinden. Ze zijn gericht op het beheersen van de volgende belangrijkste (beleggings)risico's. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruik gemaakt van derivaten.

Solvabiliteitsrisico's
Het belangrijkste risico voor het pensioenfonds betreft het solvabiliteitsrisico, ofwel het risico dat het pensioenfonds niet beschikt over voldoende vermogen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De solvabiliteit wordt gemeten op basis van zowel algemeen geldende normen als specifieke normen welke door de toezichthouder worden opgelegd.

Indien de solvabiliteit van het pensioenfonds zich negatief ontwikkelt, bestaat het risico dat het pensioenfonds de premie voor de onderneming en deelnemers moet verhogen en het risico dat er geen ruimte beschikbaar is voor een eventuele toeslagverlening op opgebouwde pensioenrechten. In het uiterste geval kan het noodzakelijk zijn dat het pensioenfonds verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten moet verminderen.

De aanwezige dekkingsgraad heeft zich als volgt ontwikkeld:

    2022   2021
         
Dekkingsgraad per 1 januari   123,9%   110,4%
Premie   -0,9%   -0,6%
Uitkeringen   0,2%   0,1%
Toeslagverlening   -6,3%   -0,5%
Wijziging rentetermijnstructuur voorziening pensioenverplichtingen   64,9%   8,6%
Beleggingsrendementen (exclusief renteafdekking)   -32,6%   5,0%
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   0,1%   0,0%
Wijziging Actuariële grondslagen   -1,6%   1,1%
Overige oorzaken   -21,9%   -0,2%
Dekkingsgraad per 31 december   125,8%   123,9%

De overige mutaties bestaan hoofdzakelijk uit zogenaamde kruiseffecten. De bepaling van de procentuele effecten van de diverse resultaatbronnen op de dekkingsgraad zijn conform de richtlijnen van DNB allen uitgedrukt ten opzichte van de primo dekkingsgraad. Dit zorgt ervoor dat de optelling van de primo dekkingsgraad plus alle afzonderlijke procentuele effecten niet leidt tot de ultimo dekkingsgraad. Het verschil tussen deze twee wordt verantwoord onder de noemer 'overige oorzaken' en betreft de kruiseffecten. In het algemeen geldt dat deze post groter wordt naarmate de verschillende effecten in de afzonderlijke resultaatscomponenten groter worden.

Om het solvabiliteitsrisico te beheersen dient het pensioenfonds buffers in het vermogen aan te houden. De omvang van deze buffers (buffers plus de pensioenverplichtingen heten samen het vereist vermogen) wordt vastgesteld met de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets (S-toets). Deze toets bevat een kwantificering van de bestuursvisie op de pensioenfonds specifieke restrisico's (na afdekking).

De berekening van het vereist eigen vermogen en het hieruit voortvloeiende tekort aan het einde van het boekjaar is als volgt:

    2022   2021
         
S1 Renterisico   88.619   26.407
S2 Risico zakelijke waarden   261.804   349.167
S3 Valutarisico   64.172   109.177
S4 Grondstoffenrisico   0   0
S5 Kredietrisico   54.536   88.532
S6 Verzekeringstechnische risico   47.874   67.743
S7 Liquiditeitsrisico   0   0
S8 Concentratierisico   0   0
S9 Operationeel risico   0   0
S10 Actief beheerrisico   55   7.451
Diversificatie-effect   -167.084   -215.839
Vereist Eigen Vermogen per 31 december   349.976   432.638
    2022   2021
         
Vereist pensioenvermogen   1.897.666   2.527.399
Voorziening pensioenverplichting   1.547.690   2.094.761
Vereist eigen vermogen   349.976   432.638
Aanwezig pensioenvermogen (Totaal activa -/- schulden)   399.607   500.526
Surplus   49.631   67.888

Het pensioenfonds heeft ter afdekking van risico's derivatencontracten afgesloten. Hiermee is bij het bepalen van de vereiste buffers rekening gehouden. Bij de berekening van de buffers past het pensioenfonds het standaardmodel van DNB toe, waarbij uitgegaan wordt van het vereist vermogen in evenwichtssituatie, gebaseerd op de strategische asset mix.

Onderstaand in deze risicoparagraaf worden per risico een aantal cijfermatige overzichten getoond. De totalen per beleggingscategorie in deze overzichten sluiten niet in alle gevallen aan bij de beleggingsstanden in de balans. De reden hiervoor is dat de gegevens in de risicoparagraaf op basis van look through op detailniveau (2021: idem) zijn gepresenteerd. Dit geeft een getrouw beeld van de werkelijke risico's.

Marktrisico (S1 - S4)
Het marktrisico omvat het renterisico, het prijs(koers)risico en het valutarisico. Marktrisico omvat de mogelijkheden voor winst of verlies door een verandering van marktfactoren. Marktfactoren kunnen bijvoorbeeld marktprijzen zijn van aandelen, vastgoed en private equity (risico zakelijke waarden) of grondstoffen (grondstoffenrisico), maar ook valutakoersen (valutarisico) of rentes (renterisico).

De strategie van het pensioenfonds met betrekking tot het beleggingsrisico wordt bepaald door de beleggingsdoelstellingen. Het marktrisico wordt op dagelijkse basis beheerst in overeenstemming met de aanwezige beleidskaders en richtlijnen. De overallmarktposities worden periodiek gerapporteerd aan het bestuur.

De mate waarin de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds gevoelig is voor het marktrisico is in de volgende alinea weergegeven, vervolgens worden de risico's die het pensioenfonds loopt nader toegelicht.

Renterisico (S1)
Renterisico is het risico dat de waarde van de portefeuille vastrentende waarden en de waarde van de pensioenverplichtingen veranderen als gevolg van ongunstige veranderingen in de marktrente. Maatstaf voor het meten van rentegevoeligheid is de duration. De duration is de gewogen gemiddelde resterende looptijd in jaren.

Op balansdatum is de duratie van de beleggingen aanzienlijk korter dan de duratie van de verplichtingen. Er is derhalve sprake van een zogenaamde 'duratie-mismatch'. Dit betekent dat bij een rentestijging de waarde van beleggingen minder snel daalt dan de waarde van de verplichtingen (bij toepassing van de actuele marktrentestructuur); waardoor de dekkingsgraad zal stijgen. Bij een rentedaling zal de waarde van de beleggingen minder snel stijgen dan de waarde van de verplichtingen, waardoor de dekkingsgraad daalt.

Het bestuur monitort de renteafdekking ultimo iedere maand. Indien het renteafdekkingspercentage zich buiten de bandbreedte van +/- 3%-punt bevindt wordt geherbalanceerd. De renteafdekking ultimo jaar bedraagt 60% (2021: idem).

De duratie en het effect van de renteafdekking kan per 31 december 2022 als volgt worden samengevat:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
    Waarde   Duration   Waarde   Duration
                 
Vastrentende waarden (excl. derivaten)   976.612   7,0   1.251.469   10,1
Vastrentende waarden (incl. derivaten)   963.788   22,5   1.252.323   29,3
(Nominale) pensioenverplichtingen   1.547.690   22,9   2.094.761   25,3

De samenstelling van de vastrentende waarden naar looptijd is als volgt:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 1 jaar   63.706   6,8%   109.246   8,9%
Resterende looptijd > 1 jaar en < 5 jaar   320.481   34,0%   380.112   30,8%
Resterende looptijd > 5 jaar en < 10 jaar   172.173   18,3%   251.899   20,4%
Resterende looptijd > 10 jaar en < 20 jaar   247.657   26,3%   296.290   24,0%
Resterende looptijd > 20 jaar   137.409   14,6%   195.920   15,9%
Totaal   941.426   100,0%   1.233.467   100,0%

De presentatie van de vastrentende waarden in bovenstaande looptijden hangt samen met het lange termijn karakter van de investeringen van het pensioenfonds en het hiermee samenhangende beleid en ter vergelijking met de looptijden van de verplichtingen.

De resterende looptijd van de verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Resterende looptijd < 5 jaar   126.484   8,2%   113.347   5,4%
Resterende looptijd 5 < > 10 jaar   166.597   10,8%   174.523   8,3%
Resterende looptijd 10 < > 20 jaar   402.571   26,0%   510.554   24,4%
Resterende looptijd > 20 jaar   852.038   55,1%   1.296.337   61,9%
Totaal   1.547.690   100,0%   2.094.761   100,0%

Risico zakelijke waarden (S2)
Risico zakelijke waarden is het risico van waardewijzigingen van aandelen en vastgoed als gevolg van onzekerheid in de marktprijzen, die wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.

Het risico zakelijke waarden wordt beheerst door het pensioenfonds, met als belangrijkste beheersmaatregel een weloverwogen spreiding van de onderliggende beleggingen. Voor deze beleggingen wordt verwezen naar de tabellen onder het prijsrisico.

Valutarisico (S3)
Het totaalbedrag van de gehele beleggingsportefeuille dat niet in euro's wordt belegd bedraagt ultimo 2022 € 964.332 (2021: € 1.415.757). Van dit bedrag is 53% (2021: 54%) afgedekt door valutaderivaten.

De valutapositie per 31 december 2022 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

             
    Totaal voor afdekking   Valutaderivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
             
EUR   793.664   523.578   1.317.242
             
GBP   38.758   -19.722   19.036
JPY   43.354   -32.231   11.123
USD   569.475   -385.349   184.126
Overige   312.746   -74.346   238.400
Totaal   1.757.997   11.930   1.769.927

Onder de overige zijn onder andere de Hong Kong dollar, de australische dollar, de canadese dollar en de Zwitserse frank opgenomen.

De valutapositie per 31 december 2021 vóór en na afdekking door valutaderivaten is als volgt weer te geven:

             
    Totaal voor afdekking   Valutaderivaten afdekking   Netto positie
na afdekking
             
EUR   1.326.968   768.214   2.095.182
             
GBP   54.234   -29.754   24.480
JPY   65.931   -45.057   20.874
USD   867.904   -605.712   262.192
Overige   427.688   -87.679   340.009
Totaal   2.742.725   12   2.742.737

In de solvabiliteitstoets van het pensioenfonds is in de buffers voor het valutarisico rekening gehouden met bovenstaande valutaposities en afdekkingen.

Prijsrisico
Prijsrisico is het risico van waardewijzigingen door de ontwikkeling van marktprijzen. Het wordt veroorzaakt door factoren gerelateerd aan een individuele belegging, de uitgevende instelling of generieke factoren.

Het prijsrisico wordt gemitigeerd door diversificatie die onder meer is vastgelegd in de strategische beleggingsmix van het pensioenfonds. In aanvulling hierop maakt het pensioenfonds voor afdekking van het prijsrisico gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten), zoals opties en futures.

Naast de strategische mix heeft het pensioenfonds in het mandaat aan de vermogensbeheerders richtlijnen gesteld aan het maximaal percentage dat namens het pensioenfonds in een sector, land of tegenpartij mag worden belegd. Naleving van deze richtlijnen vindt plaats door de beleggingscommissie op basis van onafhankelijke rapportages van de custodian.

De segmentatie van de aandelen naar regio is  per 31 december 2022 als volgt:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa   63.018   10,4%   103.652   10,0%
Europa (niet EU)   43.580   7,2%   69.677   6,8%
Noord-Amerika   372.374   61,3%   658.571   63,8%
Midden- en Zuid-Amerika   9.030   1,5%   5.314   0,5%
Pacific   50.411   8,3%   114.387   11,1%
Azië   57.170   9,4%   65.246   6,3%
Overige   11.828   1,9%   15.353   1,5%
Totaal   607.411   100,0%   1.032.200   100,0%

De segmentatie van aandelen naar sectoren per 31 december 2022 is als volgt:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Energie   23.176   3,8%   35.342   3,4%
Bouw- en grondstoffen   23.016   3,8%   45.414   4,4%
Industrie   68.892   11,3%   105.285   10,2%
Duurzame consumentengoederen   111.185   18,3%   205.617   19,9%
Gezondheidszorg   87.238   14,4%   122.601   11,9%
Financiële dienstverlening   109.162   18,0%   151.552   14,7%
Informatietechnologie   124.610   20,5%   244.389   23,7%
Telecommunicatie   43.275   7,1%   91.845   8,9%
Nutsbedrijven   15.750   2,6%   29.182   2,8%
Overige   1.107   0,2%   973   0,1%
Totaal   607.411   100,0%   1.032.200   100,0%

Grondstoffenrisico (S4)
Grondstoffenrisico is het risico van prijsfluctuaties in de grondstoffen als gevolg van veranderingen in de marktomstandigheden.

Het pensioenfonds belegt vanaf 31 december 2021 niet meer in het NN Commodity Fund, daarmee is het grondstoffenrisico gereduceerd tot nihil.

Kredietrisico (S5)
Kredietrisico is het risico van financiële verliezen voor het pensioenfonds als gevolg van faillissement of betalingsonmacht van tegenpartijen waarop het pensioenfonds (potentiële) vorderingen heeft. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan partijen die obligatieleningen uitgeven, banken waar deposito's worden geplaatst, marktpartijen waarmee Over The Counter (OTC)-derivatenposities worden aangegaan en aan bijvoorbeeld herverzekeraars.

Een voor beleggingsactiviteiten specifiek onderdeel van kredietrisico is het settlementrisico. Dit heeft betrekking op het risico dat partijen waarmee het pensioenfonds transacties is aangegaan niet meer in staat zijn hun tegenprestatie te verrichten waardoor het pensioenfonds financiële verliezen lijdt.

Beheersing van dit risico door het pensioenfonds vindt plaats door het stellen van limieten aan tegenpartijen op totaalniveau, dat wil zeggen met inachtneming van alle posities die een tegenpartij heeft jegens het pensioenfonds; het vragen van extra zekerheden zoals onderpand en dergelijke bij het uitlenen van effecten; het hanteren van prudente verstrekkingsnormen. Ter afdekking van het settlementrisico wordt door het pensioenfonds enkel belegd in markten waar een voldoende betrouwbaar clearing- en settlementsysteem functioneert. Voordat in nieuwe markten wordt belegd, wordt eerst onderzoek gedaan naar de waarborgen op dit gebied. Met betrekking tot niet-beursgenoteerde beleggingen, met name OTC-derivaten, wordt door het pensioenfonds enkel gewerkt met tegenpartijen waarmee ISDA/CSA overeenkomsten zijn afgesloten zodat posities van het pensioenfonds adequaat worden afgedekt door onderpand. Er wordt gebruik gemaakt van dagelijkse waarderingen.

Het kredietrisico ten aanzien van de te ontvangen pensioenpremies is gespreid over een groot aantal verschillende werkgevers.

De samenstelling van de vastrentende waarden naar regio's per 31 december 2022 kan als volgt worden samengevat:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa EU   698.783   74,2%   877.375   71,1%
Europa (niet EU)   36.980   3,9%   56.189   4,6%
Noord-Amerika   127.615   13,6%   188.473   15,3%
Midden- en Zuid-Amerika   18.623   2,0%   28.611   2,3%
Azië   37.707   4,0%   53.652   4,3%
Pacific   10.376   1,1%   16.111   1,3%
Overige   11.342   1,2%   13.056   1,1%
Totaal   941.426   100,0%   1.233.467   100,0%

De samenstelling van de vastrentende waarden naar sectoren per 31 december 2022 is als volgt:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Bouw en grondstoffen   4.885   0,5%   17.918   1,5%
Industrie   11.181   1,2%   37.750   3,1%
Duurzame consumentengoederen   25.140   2,7%   123.218   10,0%
Informatietechnologie   7.019   0,7%   14.626   1,2%
Telecommunicatie   10.741   1,1%   47.494   3,9%
Nutsbedrijven   16.305   1,7%   62.025   5,0%
Overheid en overheidsinstellingen   414.485   44,0%   562.110   45,6%
Financiële instellingen   70.426   7,5%   347.312   28,2%
Niet-gespecificeerd binnen beleggingsfondsen   370.861   39,4%   20.060   1,6%
Overige   10.383   1,1%   954   0,1%
Totaal   941.426   100,0%   1.233.467   100,0%

Voor de bepaling van de kredietwaardigheid wordt afhankelijk van beschikbaarheid gebruik gemaakt van Standard & Poor's, Moody's of Fitch.

Ten aanzien van de kredietwaardigheid van de debiteuren van de vastrentende portefeuille wordt per 31 december 2022 het volgende overzicht gegeven:

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
AAA   323.055   34,3%   388.492   31,5%
AA   165.540   17,6%   217.855   17,7%
A   149.740   15,9%   205.229   16,6%
BBB   174.979   18,6%   241.951   19,6%
Lager dan BBB   76.103   8,1%   113.817   9,2%
Geen rating   52.009   5,5%   66.123   5,4%
Totaal   941.426   100,0%   1.233.467   100,0%

De vastrentende waarden waarvoor geen rating geldt, betreffen met name vorderingen en liquide middelen inzake vastrentende waarden.

Verzekeringstechnische risico's (actuariële risico's, S6)
Het verzekeringstechnisch risico is het risico dat voortvloeit uit mogelijke afwijkingen van actuariële inschattingen die worden gebruikt voor de vaststelling van de technische voorzieningen en de hoogte van de premie. De belangrijkste actuariële risico's zijn de risico's van langleven, overlijden (kortleven), arbeidsongeschiktheid en het toeslagrisico.

Langlevenrisico
Het langlevenrisico is het belangrijkste verzekeringstechnische risico. Langlevenrisico is het risico dat deelnemers langer blijven leven dan gemiddeld verondersteld wordt bij de bepaling van de voorziening pensioenverplichtingen. Als gevolg hiervan volstaat de opbouw van het pensioenvermogen niet voor de uitkering van de pensioenverplichting. Door toepassing van prognosetafels met adequate correcties voor ervaringssterfte is het langlevenrisico nagenoeg geheel verdisconteerd in de waardering van de pensioenverplichtingen.

Met de publicatie van de Prognosetafel AG2022 op 13 september 2022 geeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) haar meest recente inschatting van de toekomstige overlevingskansen voor de Nederlandse bevolking. De Prognosetafel AG2022 vervangt de Prognosetafel AG2020. Volgens de nieuwe prognosetafel neemt de levensverwachting bij geboorte voor mannen met ongeveer een half jaar toe. Voor vrouwen is deze toename ongeveer één jaar. De resterende levensverwachting voor een 65-jarige stijgt met een paar maanden.

Verondersteld is dat de COVID-19 pandemie nog enkele jaren van invloed is op de overlevingskansen. Deze invloed neemt echter snel af. Voor de langere termijn verwacht het Koninklijk Actuarieel Genootschap dat COVID-19 geen rol meer speelt bij de verwachte overlevingskansen.

Ultimo 2022 zijn de technische voorzieningen van het pensioenfonds vastgesteld op basis van de Prognosetafel AG2022, wat leidt tot een daling van de dekkingsgraad.

Overlijdensrisico
Het overlijdensrisico betekent dat het pensioenfonds in geval van overlijden mogelijk een nabestaandenpensioen moet toekennen waarvoor door het pensioenfonds geen voorzieningen zijn getroffen. Dit risico kan worden uitgedrukt in risicokapitalen.

Arbeidsongeschiktheidsrisico
Het arbeidsongeschiktheidsrisico betreft het risico dat het pensioenfonds voorzieningen moet treffen voor premievrijstelling bij invaliditeit en het toekennen van een arbeidsongeschiktheidspensioen ('schadereserve'). Voor dit risico wordt jaarlijks een risicopremie in rekening gebracht. Het verschil tussen de risicopremie en de werkelijke kosten wordt verwerkt via het resultaat. De actuariële uitgangspunten voor de risicopremie worden periodiek herzien.

Het beleid van het pensioenfonds is om het arbeidsongeschiktheidsrisico niet te herverzekeren.

Toeslagrisico
Het toeslagrisico omvat het risico dat de ambitie van het bestuur om toeslagen op pensioen toe te kennen in relatie tot de algemene prijsontwikkeling niet kan worden gerealiseerd. De mate waarin dit kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de ontwikkelingen in de rente, beleggingsrendementen, looninflatie en demografie (beleggings- en actuariële resultaten) echter, afhankelijk van de hoogte van de dekkingsgraad van het pensioenfonds. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de toeslagverlening voorwaardelijk is.

Liquiditeitsrisico (S7)
Liquiditeitsrisico is het risico dat beleggingen niet tijdig en/of niet tegen een aanvaardbare prijs kunnen worden omgezet in liquide middelen, waardoor het pensioenfonds op korte termijn niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Waar de overige risicocomponenten vooral de langere termijn betreffen (solvabiliteit), gaat het hierbij om de kortere termijn. Dit risico kan worden beheerst door in het strategische en tactische beleggingsbeleid voldoende ruimte aan te houden voor de liquiditeitsposities. Er moet eveneens rekening worden gehouden met de directe beleggingsopbrengsten en andere inkomsten zoals premies.

Het pensioenfonds voert periodiek stress scenario's van haar liquiditeitspositie uit gedurende het verslagjaar. Hiermee is beoordeeld in hoeverre het pensioenfonds, ten tijde van stress op financiële markten, in staat is om aan haar financiële verplichtingen op korte termijn te voldoen. Op basis van de uitgevoerde stress scenario's is geconcludeerd dat het pensioenfonds in staat is haar financiële verplichtingen na te komen in geval van stress op financiële markten. Bij de bepaling van het vereist vermogen is het liquiditeitsrisico vooralsnog op nihil gesteld.

Concentratierisico (S8)
Concentraties kunnen ertoe leiden dat het pensioenfonds bij grote veranderingen in bijvoorbeeld de waardering (marktrisico) of de financiële positie van een tegenpartij (kredietrisico) grote (veelal financiële) gevolgen hiervan ondervindt. Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie in de beleggingsportefeuille in producten, regio's of landen, economische sectoren of tegenpartijen. Naast concentraties in de beleggingsportefeuille kan ook sprake zijn van concentraties in de verplichtingen en de uitvoering.

De spreiding in de beleggingsportefeuille is weergegeven in de tabel die is opgenomen bij de toelichting op het kredietrisico. Grote posten kunnen een post van concentratierisico zijn. Om te bepalen welke posten dit betreft worden per beleggingscategorie alle instrumenten met dezelfde debiteur opgeteld. Als grote post wordt aangemerkt elke post die meer dan 2% van het balanstotaal uitmaakt.

Per 31 december 2022 zijn de volgende posten met meer dan 2% van het balanstotaal aanwezig:

Vastrentende waarden

    31-12-2022       31-12-2021    
                 
Europa   229.772   10,4%   284.670   10,0%
Totaal   229.772   10,4%   284.670   10,0%

In het algemeen geldt dat concentratierisico kan optreden als een adequate spreiding van activa en passiva ontbreekt. Concentratierisico's kunnen optreden bij een concentratie van de portefeuille in regio's, economische sectoren of tegenpartijen.

Een portefeuille van beleggingen die sterk sectorgebonden is, kan door deze sectorconcentratie een verhoogd risico lopen. Indien aandelen in dezelfde sector worden aangehouden is sprake van een cumulatief concentratierisico.

Bij de bepaling van het vereist vermogen past het pensioenfonds het standaardmodel van de DNB toe. In dat model wordt het concentratierisico vooralsnog op nihil gesteld.

Op grond hiervan heeft het bestuur geconcludeerd dat geen sprake is van concentratie in de activa of verplichtingen en dat daarom geen buffer voor concentratierisico wordt aangehouden.

Operationeel risico (S9)
Operationeel risico is het risico van een onjuiste afwikkeling van transacties, fouten in de verwerking van gegevens, het verloren gaan van informatie, fraude en dergelijke. Deze risico's worden door het pensioenfonds beheerst door het stellen van hoge kwaliteitseisen aan de organisaties die bij de uitvoering betrokken zijn op gebieden zoals interne organisatie, procedures, processen en controles, kwaliteit geautomatiseerde systemen, enzovoorts.

De beleggingsportefeuille is ondergebracht bij SSgA, BlackRock, SAREF, PGGM Vermogensbeheer B.V. en Columbia Threadneedle Investments. Caceis is de custodian van het pensioenfonds. De pensioenuitvoering is uitbesteed aan TKP Pensioen B.V. Het niveau van de dienstverlening van zowel Caceis als TKP Pensioen B.V. is vastgelegd in een Service Level Agreements (SLA). Op basis van periodieke rapportages wordt de kwaliteit van de dienstverlening door het bestuur getoetst.

Aanvullend tonen zowel de pensioenbeheerder als de vermogensbeheerders met een ISAE3402-type II verklaring aan dat zij de operationele risico's van de uitvoering van de pensioenregeling en het vermogensbeheer op een adequate wijze beheersen.

Het bestuur is van mening dat hiermee sprake is van adequate beheersing van de operationele risico's, en heeft besloten om geen buffers aan te houden voor het operationeel risico in de solvabiliteitstoets.

Actief risico (S10)
De mate waarin het actieve beleggingsbeleid bijdraagt aan het totale risico van de beleggingen is mede afhankelijk van de correlatie die verondersteld wordt te bestaan tussen het benchmark rendement en het extra rendement als gevolg van actief beheer. Het bestuur is van mening dat er geen sprake is van een actief beleggingsbeleid van het pensioenfonds, heeft besloten om hiervoor geen buffers aan te houden voor het actief beheer risico in de solvabiliteitstoets.

Systeemrisico
Het systeemrisico betreft het risico dat het mondiale financiële systeem (de internationale markten) niet langer naar behoren functioneert, waardoor beleggingen van het pensioenfonds niet langer verhandelbaar zijn en zelfs, al dan niet tijdelijk, hun waarde kunnen verliezen. Net als voor andere marktpartijen, is dit risico voor het pensioenfonds niet beheersbaar. Het systeemrisico maakt geen onderdeel uit van de door DNB voorgeschreven solvabiliteitstoets.

Derivaten
Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid wordt gebruik gemaakt van financiële derivaten. Hoofdregel die hierbij geldt, is dat derivaten uitsluitend worden gebruikt voor zover dit passend is binnen het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Derivaten worden hoofdzakelijk gebruikt om de hiervoor vermelde vormen van marktrisico zo veel mogelijk af te dekken.

Derivaten hebben als voornaamste risico het kredietrisico. Dit risico wordt beperkt door alleen transacties aan te gaan met goed te boek staande partijen en door zoveel mogelijk te werken met onderpand.

Gebruik wordt gemaakt van onder meer de volgende instrumenten:

  • Valutatermijncontracten: dit zijn met individuele banken afgesloten contracten waarbij de verplichting wordt aangegaan tot het verkopen van een valuta en de aankoop van een andere valuta, tegen een vooraf vastgestelde prijs en op een vooraf vastgestelde datum. Door middel van valutatermijncontracten worden valutarisico's afgedekt.
  • Aandelenderivaten / Futures: Deze zijn op de beurs genoteerde termijncontracten met verplichte levering van onderliggende waarden / goederen in de toekomst tegen een vooraf vastgestelde prijs. Het pensioenfonds gebruikt deze contracten voornamelijk om het aandelenrisico af te dekken.
  • Renteswaps: dit betreft met een betrouwbare partij via de Clearingorganisatie afgesloten contracten, met als doel om vaste en variabele rentes met elkaar uit te wisselen. Door middel van swaps kan het pensioenfonds de rentegevoeligheid van de portefeuille beïnvloeden.

Vanwege de aanpassing van de verwerking van de rentederivaten in de jaarrekening 2022, zijn in onderstaande tabellen de positieve en negatieve waarden van de rentederivaten toegevoegd. Dit is gewijzigd ten opzichte van de presentatie voorgaande jaren. Ook 2021 is hier voor vergelijkingsdoeleinden op aangepast.

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2022:

Type contract   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo waarde   Positieve waarde   Negatieve waarde
                     
Valutaderivaten   < 10-01-2023   591.101   11.894   12.538   644
Aandelenderivaten   < 03-12-2053   1   0   0   0
Rentederivaten   < 17-12-2044   1.774.656   -152.030   93.379   245.409
Totaal       2.365.758   -140.136   105.917   246.053

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de derivatenpositie op 31 december 2021:

Type contract   Gemiddelde looptijd   Contract-
omvang
  Saldo waarde   Positieve waarde   Negatieve waarde
                     
Valutaderivaten   < 28-02-2022   796.543   -22   1.103   1.125
Aandelenderivaten   < 31-03-2022   1   0   0   0
Rentederivaten   < 01-09-2044   1.534.240   165.827   212.327   46.500
Totaal       2.330.784   165.805   213.430   47.625

10.7 Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Langlopende contractuele verplichtingen

Administratiekostenvergoeding
Inzake het uitvoeren van de pensioenregeling heeft het pensioenfonds in 2022 een nieuwe uitbestedingsovereenkomst met TKP Pensioen B.V. afgesloten. Het contract loopt vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2028. De administratiekostenvergoeding bedragen ca. € 3.350 per jaar.

Vermogensbeheerkosten
Met de custodian Caceis is een overeenkomst afgesloten voor onbepaalde duur die direct opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van 90 dagen. De custodykosten bedragen ca. € 790 per jaar.

Met de vermogensbeheerder Columbia Threadneedle Investments (voorheen BMO Global Asset Management) is een beheerovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 6 maanden afgesloten. Het pensioenfonds kan bij bepaalde gebeurtenissen tot onmiddellijke beëindiging overgaan. De beheerkostenvergoeding bedraagt ca. € 2.200 per jaar.

Met de vermogensbeheerder State Street Global Advisors is een beheerovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 3 maanden afgesloten. Het pensioenfonds kan bij bepaalde gebeurtenissen tot onmiddellijke beëindiging overgaan. De beheerkostenvergoeding bedraagt ca. € 380 per jaar (incl. btw).

Met de vermogensbeheerder Syntrus Achmea Real Estate & Finance loopt een contract voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 6 maanden. De beheerkostenvergoeding bedraagt ca. € 450 per jaar.

Het beheercontract met PGGM is beëindigd per 1 juli 2016, maar het pensioenfonds heeft nog de verplichting om de kosten voor informatievoorziening en accountmanagement te betalen, zolang het pensioenfonds nog belegt in PGGM beleggingsfondsen. De beheerkostenvergoeding hiervan bedraagt ca. € 75 per jaar.

Met de vermogensbeheerder BlackRock is een contract voor onbepaalde tijd afgesloten, deze is direct opzegbaar. De beheerkostenvergoeding hiervan bedraagt ca. € 160 (incl. btw).

Investeringsverplichtingen
Vooruitlopend op verwachte inkomende kasstromen bestaan er per balansdatum de volgende investerings-en stortingsverplichtingen (zogenaamde voorbeleggingen):

    2022   2021
         
Infrastructure Fund   22.088   38.568
Totaal per 31 december   22.088   38.568

Securities lending
Het pensioenfonds stelt een deel van de aandelen- en obligatieleningen beschikbaar voor het in bruikleen geven van effecten (securities lending). Het pensioenfonds behoudt economisch eigendom. Per balansdatum is een bedrag van € 29.629 (2021: € 25.640) uitgeleend aan obligaties en een bedrag van € 59.495 (2021: € 62.416) aan aandelen uitgeleend. Het pensioenfonds heeft hiervoor in 2022 voor 89.749 (inclusief haircut) (2021: € 90.010, inclusief haircut) aan obligaties ontvangen. Voor uitleg over de haircut zie de begrippenlijst in paragraaf 12.2 van dit jaarverslag.

10.8 Verbonden partijen

Transacties met (voormalige) bestuurders
De bezoldiging van de bestuurders wordt nader toegelicht in de toelichting op de staat van baten en lasten bij de pensioenuitvoeringskosten. Het pensioenfonds heeft geen leningen verstrekt aan (voormalige) bestuurders. Ook heeft het pensioenfonds geen vorderingen op (voormalige) bestuurders.

10.9 Gebeurtenissen na balansdatum

Gewijzigde Ultimate Forward Rate (UFR)
DNB heeft eind 2022 aangegeven dat de nieuwe UFR-methode zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, per 1 januari 2023 wordt ingevoerd. Het advies van de Commissie is om de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur dichter aan te laten sluiten bij de marktrente. Onder andere het startpunt voor het extrapoleren verschuift van 30 naar 50 jaar. Deze wijziging wordt in boekjaar 2023 verantwoord. Met de invoering van deze nieuwe UFR-methode komt de vorige UFR-methode, die vanaf 1 januari 2021 in vier gelijke stappen werd ingevoerd, te vervallen.

Voor het pensioenfonds is de impact van de invoering van de nieuwe UFR-methode een verlaging van de dekkingsgraad per 31 december 2022. Het toepassen van de nieuwe UFR-methode heeft per 1 januari 2023 een effect van ongeveer -0,9%-punt op de dekkingsgraad. 

Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR)
Het bestuur van Pensioenfonds Particuliere Beveiliging heeft de ambitie uitgesproken om gedurende het jaar 2022 naar een artikel 8-classificatie te groeien per 1 januari 2023. Het pensioenfonds heeft gedurende 2022 onder andere besloten tot de introductie van klimaatbenchmarks voor de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuille. Met ingang van 1 januari 2023 beschouwt het pensioenfonds de pensioenregeling dan ook als een artikel 8-regeling én kiest het voor de opt in onder artikel 4 SFDR. Daarmee committeert het zich aan het rapporteren over de belangrijkste ongunstigste effecten op duurzaamheidsfactoren (ook wel “Principle Adverse Impacts” (PAI's) genoemd).

10.10 Toelichting op de staat van baten en lasten over 2022

8. Premiebijdragen voor risico pensioenfonds

    2022   2021
         
Premiebijdragen verplichte verzekering werkgevers   47.042   47.961
Premiebijdragen verplichte verzekering werknemers   31.361   31.975
Mutatie inzake voorziening permievorderingen   -10   142
Afschrijving premievorderingen   -23   -240
Totaal   78.370   79.838

De kostendekkende, gedempte en feitelijke premie volgens artikel 130 van de Pensioenwet zijn als volgt:

    2022   2021
         
Kostendekkende premie   96.608   102.228
Gedempte premie (ex-ante)   55.043   47.620
Gedempte premie (ex-post)   56.035   51.557
Feitelijke premie   77.954   79.700

De aan het boekjaar toe te rekenen feitelijke premie is als bate in de staat van baten en lasten verantwoord.

Onderstaand wordt de samenstelling van de kostendekkende premie, de vooraf bepaalde gedempte kostendekkende (ex-ante) premie en de achteraf bepaalde gedempte kostendekkende (ex-post) premie weergegeven:

Kostendekkende premie

    2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke onderdelen pensioenopbouw   75.456   81.076
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen   15.587   16.199
Opslag voor uitvoeringskosten   5.565   4.953
Totaal   96.608   102.228

Gedempte kostendekkende premie (ex ante)

    2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke onderdelen pensioenopbouw   29.816   25.546
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen   6.053   5.033
Opslag voor uitvoeringskosten   5.024   4.745
Premie voorwaardelijke onderdelen   14.150   12.296
Totaal   55.043   47.620

Gedempte kostendekkende premie (ex post)

    2022   2021
         
Actuarieel benodigd voor onvoorwaardelijke onderdelen pensioenopbouw   29.894   27.939
Opslag voor instandhouding van het vereist eigen vermogen   6.175   5.582
Opslag voor uitvoeringskosten   5.565   4.953
Premie voorwaardelijke onderdelen   14.401   13.083
Totaal   56.035   51.557

De premie voor 2022 wordt getoetst aan de hand van de voorschriften van het FTK op basis van de ex-ante berekende premie. De ex-ante gedempte kostendekkende premie is € 55.043. De ex-ante feitelijke premie bedraagt € 77.049. De gedempte kostendekkende premie is lager dan de feitelijke premie. Omdat de feitelijke premie hoger is dan de ex-ante gedempte kostendekkende premie is de feitelijke premie kostendekkend.

De in het boekjaar ontvangen premie bedraagt € 78.403. Hiervan heeft € 449 betrekking op pensioenopbouw over voorgaande boekjaren. De feitelijke premie (ex-post) bedraagt € 77.954.

De ex-post gedempte kostendekkende premie is € 56.035. De ex-post feitelijke premie is € 77.954. Ook op basis van de achteraf berekende bedragen is de feitelijke premie kostendekkend.

De verschillen tussen zowel de ex-post feitelijke premie en de ex-ante verwachte premie en de ex-post gedempte kostendekkende premie en de ex-ante gedempte kostendekkende premie worden verklaard door mutaties in het deelnemersbestand van het pensioenfonds.

9. Beleggingsresultaten risico pensioenfonds

2022   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogens-beheer   Totaal
                 
                 
Vastgoed beleggingen   731   12.839   -110   13.460
Aandelen   13.784   -121.182   -525   -107.923
Vastrentende waarden   13.894   -232.998   -3.006   -222.110
Derivaten   5.741   -386.005   0   -380.264
Overige beleggingen   1.883   3.626   -52   5.457
Totaal   36.033   -723.721   -3.693   -691.381

Transactiekosten zijn onderdeel van de aan- en verkooptransacties van beleggingen. Deze zijn onderdeel van de indirecte beleggingsopbrengsten en bedragen over 2022 € 3 (2021: € 4).

2021   Directe beleggings-
opbrengsten
  Indirecte beleggings-
opbrengsten
  Kosten vermogens-beheer   Totaal
                 
                 
Vastgoed beleggingen   668   41.297   -58   41.907
Aandelen   14.398   220.563   -590   234.371
Vastrentende waarden   12.837   -30.890   -2.906   -20.959
Derivaten   7.437   -194.651   -1   -187.215
Overige beleggingen   4.249   23.785   -27   28.007
Totaal   39.589   60.104   -3.582   96.111

10. Overige baten

    2022   2021
         
Intrest baten overig   5   24
Andere baten   0   7
Totaal   5   31

De intrest baten overig bestaat uit een ontvangen intrest bedrag met betrekking tot een uit handen gegeven vordering aan het incassobureau. 

11. Pensioenuitkeringen

    2022   2021
         
Ouderdomspensioen   15.090   13.177
Partnerpensioen   3.190   2.947
Wezenpensioen   119   114
Afkopen   1.374   1.316
Totaal   19.773   17.554

De post afkopen betreft de afkoop van pensioenen die lager zijn dan € 520,35 (2021: € 503,24) per jaar overeenkomstig de Pensioenwet (artikel 66).

12. Pensioenuitvoeringskosten

    2022   2021
         
Bestuurskosten   573   525
Verantwoordingsorgaan en auditcommissie   26   27
Administratiekostenvergoeding   3.988   3.864
Accountantskosten   69   73
Certificerend actuaris   42   46
Controle en advieskosten   322   359
Contributies en bijdragen   235   218
Dwangsommen en boetes   0   0
Overige pensioenuitvoeringskosten   896   521
Totaal   6.151   5.633

Onder de administratiekostenvergoeding zijn zowel de kosten voor TKP Pensioen B.V. van € 3.362 (2021: € 3.247) als de kosten voor Montae & Partners van € 625 (2021: € 617) verantwoord.

De overige kosten bestaan met name uit de kosten voor het project Wet toekomst pensioenen (€ 600) (2021: € 310) en daarnaast uit de communicatiekosten van € 171 (2021: € 73), de kosten voor looncontroles van € 76 (2021: € 51) en de bank- en incassokosten € 49 (2021: € 87).

Bezoldiging bestuurders
De bezoldiging aan bestuurders heeft betrekking op de vergoedingen voor de werkzaamheden verband houdende met de bestuurs- en commissievergaderingen en overige bestuurswerkzaamheden. De vergoedingen bestaan uit vacatiegeld, vergoeding van reis- en verblijfkosten en overige bestuurskosten, en bedragen in 2022 € 523 (2021: € 525). Afgezien hiervan zijn geen bezoldigingen toegekend.

Accountantshonoraria
De honoraria van de onafhankelijke externe accountant(s) zijn als volgt:

    2022   2021
         
Controle van de jaarrekening   64   62
Controle van de jaarrekening voorgaand jaar   0   6
Andere controle werkzaamheden   5   5
Totaal   69   73

Voor 2022 wordt voor € 64 aan accountantskosten verwacht voor de certificering van het jaarwerk 2022 door Mazars Accountants N.V.  Onder de andere controleopdrachten is voor € 5 aan verwachte kosten voor de controle normportefeuille en Z-score 2022 door Mazars Accountants N.V. verantwoord.

Personeelsleden
Het pensioenfonds heeft in 2022 geen personeel in dienst (2021: idem). De beheeractiviteiten worden op basis van een uitvoeringsovereenkomst verricht door personeel in dienst van TKP Pensioen B.V., Montae & Partners en de vermogensbeheerders.

13. Mutatie voorziening pensioenverplichtingen voor risico van het pensioenfonds

    2022   2021
         
Pensioenopbouw   75.067   81.938
Toeslagverlening   112.136   10.185
Rentetoevoeging   -10.194   -11.876
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en pensioenuitvoeringkosten   -19.993   -18.204
Wijziging marktrente   -719.887   -158.596
Wijziging actuariele grondslagen   19.634   -18.439
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten   -8.336   6.277
Overige mutaties voorziening pensioenverplichtingen   4.502   -2.842
Totaal   -547.071   -111.557

14. Saldo overdracht van rechten

    2022   2021
         
Ontvangen waardeoverdrachten   -3.057   -1.016
Ontvangen WOD KP   -11.801   -11.152
Uitgaande waardeoverdrachten   17.214   1.846
Uitgaande WOD KP   6.699   4.372
Totaal   9.055   -5.950

Waardeoverdracht betreft de ontvangst van of overdracht aan het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar van respectievelijk de vorige of nieuwe werkgever van de contante waarde van premievrije pensioenaanspraken van deelnemers, die tot de ontslagdatum zijn opgebouwd.

15. Overige lasten

    2022   2021
         
Andere lasten   4   0
Interest lasten overig   1   0
Totaal   5   0

Belastingen
De activiteiten van het pensioenfonds zijn vrijgesteld van belastingheffing in het kader van de vennootschapsbelasting.

Ondertekening bestuur

Vaststelling van de jaarrekening door het bestuur
Het bestuur van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Particuliere Beveiliging heeft de jaarrekening vastgesteld in de vergadering van 14 juni 2023.

 
 
 

De heer drs. J.C.A. Kestens
Voorzitter

 
 
 
Mevrouw ir. E.M.C. Eelens FRM CAIA
Bestuurslid

 
 
De heer ir. M. Verbrugge
Bestuurslid



De heer C.A. van Loon
Bestuurslid



Mevrouw E.R. Schuring
Bestuurslid

 
 
 

De heer mr. P. Priester
Bestuurslid

 
 

De heer drs. R.J. de Vries
Bestuurslid



De heer L.R. van Gelder
Bestuurslid



De heer ir. W.J. Boot
Bestuurslid

Versie:
v6.2.23

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report