Spring naar inhoud

Financiële positie en beleid in 2022

4.1 Financiële opzet en positie

Het resultaat in boekjaar 2022 bedraagt € 100.919 negatief. Dit negatieve resultaat wordt veroorzaakt door de daling van de rentetermijnstructuur (RTS), waardoor de technische voorziening van het pensioenfonds is gestegen. Ook het behaalde negatieve rendement op de beleggingen van -26,8% heeft bijgedragen aan het negatieve resultaat.

Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van een pensioenfonds. Het geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen weer. De dekkingsgraad kan wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van het beleggingsresultaat, verzekeringstechnische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de rentetermijnstructuur. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het gemiddelde van de twaalf maanddekkingsgraden naar de meest actuele inzichten.

Ontwikkeling dekkingsgraad
De actuele dekkingsgraad is gestegen van 123,9% ultimo 2021 naar 125,8% per 31 december 2022. Het onderstaande verloop van de actuele dekkingsgraad laat zien welke componenten de meeste invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad.

De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds gedurende het jaar 2022 wordt hieronder weergegeven:

  2022 2021
Dekkingsgraad 1 januari 123,9% 110,4%
Effect beleggingsresultaat -32,6% 5,0%
Effect wijziging rentetermijnstructuur 64,9% 8,6%
Effect premies -0,9% -0,6%
Effect uitkeringen 0,2% 0,1%
Effect toeslagverlening -6,3% -0,5%
Effect incidentele mutaties -1,6% 1,1%
Effect overige oorzaken -21,8% -0,2%
Dekkingsgraad 31 december 125,8% 123,9%

Beleidsdekkingsgraad
Het bestuur neemt toekomstige beslissingen op basis van de beleidsdekkingsgraad ultimo 2022 van 129,0% in vergelijking met 117,5% ultimo 2021 en niet op de actuele dekkingsgraad, maar verliest daarbij de actualiteit niet uit het oog.

Een overzicht met het verloop van de (actuele) dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad in de afgelopen 5 jaar wordt in de volgende grafiek getoond:

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Dekkingsgraad Beleidsdekkingsgraad
2018 1.033 1.077
2019 1.107 1.063
2020 1.104 1.033
2021 1.239 1.175
2022 1.258 1.29

Herstelplan
DNB heeft op 27 januari 2022 laten weten dat voor het pensioenfonds geen geactualiseerd herstelplan hoefde in te dienen. Waar eerder de beleidsdekkingsgraad leidend was voor een herstelplan, heeft DNB besloten dat ondanks het feit dat er wettelijk gezien een tekort is, er geen herstelplan ingediend hoeft te worden als de ingediende feitelijke dekkingsgraad per 31 december 2021 (123,9%) hoger is dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen (120,7%).

Per 31 december 2022 is de beleidsdekkingsgraad (129,0%) hoger dan de vereiste dekkingsraad per 31 december 2022 (122,6%), waardoor het pensioenfonds uit herstel is. 

Haalbaarheidstoets
Met een haalbaarheidstoets controleert het pensioenfonds of de afgesproken ambities worden gerealiseerd, of het premiebeleid voldoende realistisch en haalbaar is en of het pensioenfonds voldoende herstelcapaciteit heeft. Het pensioenfonds voert een “jaarlijkse haalbaarheidstoets” uit.

Het pensioenfonds stelt de volgende drie ondergrenzen vast:

  1. De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de situatie dat precies aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan: 100%.
  2. De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke financiële positie van het pensioenfonds op de berekeningsdatum: 90%.
  3. De maximale afwijking van het pensioenresultaat in het slechtweerscenario vanuit de feitelijke financiële situatie van het pensioenfonds op de berekeningsdatum: 50%.

Het pensioenfonds heeft in 2021 de verplichte haalbaarheidstoets uitgevoerd en de resultaten hiervan gerapporteerd aan DNB. Hierbij een overzicht van de resultaten:

  Risicohouding
(lange termijn)
2021 2022  
Toetsing – verwacht pensioenresultaat Ondergrens / maximale afwijking Resultaat Resultaat Voldaan?
Vanuit feitelijke financiële positie        
Mediaan 90% 97% 97% Ja
Slechtweerscenario   66% 68%  
Relatieve afwijking t.o.v. mediaan 50% 31% 30% Ja

Beleidsuitgangspunten
Voor toepassing binnen ALM-studies heeft het bestuur, tezamen met sociale partners, in 2020 de volgende beleidsuitgangspunten gedefinieerd, uitgaande van een startdekkingsgraad van 104,3% en een horizon van 15 jaar:

Beleidsuitgangspunten Norm
Toeslagrealisatie (% van maatstaf) Minimaal 30%
Jaarlijkse kans op verlaging Maximaal 8%
Omvang verlaging (zonder uitsmeren)
(gemiddelde van scenario’s met verlaging)
Maximaal 10%
Omvang verlaging (zonder uitsmeren)
(1e percentiel)
Maximaal 45%

Periodiek worden de beleidsuitgangspunten, het ambitieniveau en de risicohouding met sociale partners geëvalueerd.

4.2 Beleid en beleidskeuzes

Het bestuur heeft beleid ontwikkeld op het gebied van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico’s en de financiële positie van het pensioenfonds te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig afgewogen. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenovereenkomst zoals die overeengekomen is tussen werkgevers en werknemers.

4.2.1 Premiebeleid

Het reglementaire premiepercentage is 32,0%. In het jaar 2012 is het pensioenfonds overgestapt naar een gedempte kostendekkende premie. Het bestuur is zich ervan bewust dat de dempingsmethode gedurende langere tijd gehanteerd dient te worden. DNB heeft per brief ingestemd met de overstap naar een gedempte kostendekkende premie. Mede uit het oogpunt van evenwichtige belangenbehartiging heeft het bestuur (in samenspraak met sociale partners) vanaf 2016 gekozen voor een rentedemping, waarbij 60 rentetermijnstructuren zijn gemiddeld. Vanaf 2020 is overgestapt op de methode op basis van verwacht rendement met een afslag voor indexatie.

De toetsing van de kostendekkendheid van de premie wordt uitgevoerd op basis van ex-ante cijfers, dus op basis van de vooraf verwachte premie en de vooraf vastgestelde gedempte kostendekkende premie.

De gedempte kostendekkende premie voor het verslagjaar bedraagt vooraf bepaald (ex-ante) € 55.043* en achteraf vastgesteld (ex-post) € 56.035. De samenstelling van de vooraf bepaalde en achteraf vastgestelde gedempte kostendekkende premies is als volgt:

  Ex-ante Ex-post
Actuarieel benodigd 29.816 29.894
Solvabiliteitsopslag 6.053 6.175
Opslag voor uitvoeringskosten 5.024 5.565
Premie voorwaardelijke onderdelen 14.150 14.401
Totaal 55.043 56.035

De zuivere kostendekkende premie (zonder demping toe te passen) bedroeg in het verslagjaar € 96.608. De samenstelling van de zuivere kostendekkende premie is als volgt: 

   
Actuarieel benodigd 75.456
Solvabiliteitsopslag 15.587
Opslag voor uitvoeringskosten 5.565
Totaal 96.608

De vooraf verwachte premie is € 55.043. Deze premie wordt gebruikt voor de toetsing van de kostendekkendheid van de premie met de vooraf bepaalde (ex-ante) gedempte kostendekkende premie. De feitelijke premie (ex-post) bedraagt € 77.954 (2021: € 79.700).

* Genoemde bedragen zijn x € 1.000.

4.2.2 Toeslagbeleid

De toeslag op de pensioenaanspraken van de (ex-)deelnemers en van de ingegane pensioenen is voorwaardelijk. Er bestaat geen recht op jaarlijkse toeslag. Of er toeslag wordt verleend en in welke mate is afhankelijk van de financiële middelen van het pensioenfonds en van het oordeel van het bestuur en de actuaris over de financiële positie van het pensioenfonds. In het verleden verleende toeslagen geven geen zekerheid over toeslagen in de toekomst.

Het bestuur heeft de volgende toeslagmatrix (geldend vanaf 1 juli 2015) vastgesteld:

  • Ondergrens voor voorwaardelijke toeslagverlening 110% (wettelijk).
  • De bovengrens voor voorwaardelijke toeslagverlening vast te stellen conform de FTK-systematiek (wettelijk).
  • Inhaaltoeslagen toestaan vanaf een beleidsdekkingsgraad hoger dan de bovengrens.

Bij het toekennen van toeslagen kijkt het bestuur ook naar de economische situatie en kan worden afgeweken van het toeslagbeleid.

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de actieve deelnemers. Hun toeslagverlening volgde tot 1 januari 2020 de loonontwikkeling en vanaf 1 januari 2020 de prijsontwikkeling:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,15% 1,15% 0,00%
1 januari 2007 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2008 3,10% 3,10% 0,00%
1 januari 2009 3,25% 0,00% 3,25%
1 januari 2010 3,10% 0,90% 2,20%
1 januari 2011 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2012 2,30% 0,00% 2,30%
1 januari 2013 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2014 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2015 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2016 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2017 2,50% 0,00% 2,50%
1 januari 2018 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2019 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2020 1,03% 0,00% 1,03%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de niet-actieve deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband op of na 1 januari 2004 is beëindigd:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,02% 1,02% 0,00%
1 januari 2007 1,65% 1,65% 0,00%
1 januari 2008 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2009 1,91% 0,00% 1,91%
1 januari 2010 1,44% 0,45% 0,99%
1 januari 2011 0,67% 0,00% 0,67%
1 januari 2012 1,90% 0,00% 1,90%
1 januari 2013 2,05% 0,00% 2,05%
1 januari 2014 1,59% 0,00% 1,59%
1 januari 2015 0,99% 0,00% 0,99%
1 januari 2016 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2017 0,52% 0,00% 0,52%
1 januari 2018 1,59% 0,00% 1,59%
1 januari 2019 1,27% 0,00% 1,27%
1 januari 2020 1,03% 0,00% 1,03%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de niet-actieve deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband vóór 1 januari 2004 is beëindigd:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,15% 1,15% 0,00%
1 januari 2007 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2008 3,10% 3,10% 0,00%
1 januari 2009 3,25% 0,00% 3,25%
1 januari 2010 3,10% 0,90% 2,20%
1 januari 2011 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2012 2,30% 0,00% 2,30%
1 januari 2013 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2014 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2015 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2016 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2017 2,50% 0,00% 2,50%
1 januari 2018 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2019 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2020 4,52% 0,00% 4,52%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%

4.4 Uitvoering pensioenregeling

De taak van het pensioenfonds is het uitvoeren van de pensioenregeling die sociale partners hebben bepaald. Om invulling te geven aan deze taak heeft het pensioenfonds ten behoeve van de uitvoering van de pensioenregeling een pensioenreglement opgesteld. De uitvoering van de pensioen- en werkgeversadministratie is uitbesteed aan TKP. In deze paragraaf wordt ingegaan op de kosten van de uitvoering, de klachten- en geschillenregeling, de incidentenregeling en het communicatiebeleid.

4.4.1 Uitbestedingsbeleid

Het pensioenfondsbestuur heeft een uitbestedingsbeleid opgesteld. Hierbij de uitgangspunten die meest recentelijk per november 2022 zijn vastgesteld:

  • Het bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de uitbestede activiteiten of processen.
  • Het bestuur behoudt volledige zeggenschap over de uitbestede activiteiten of processen.
  • Het bestuur leeft het uitbestedingsbeleid na, zoals dat door het bestuur is opgesteld conform de wettelijke eisen en op basis van de richtlijnen van DNB.
  • Het beleid voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
  • Het bestuur selecteert onafhankelijke uitvoerders op basis van kwaliteit, prijs en marktconformiteit.
  • Het bestuur van het pensioenfonds zorgt voor voldoende countervailing power binnen het bestuur zelf of huurt indien noodzakelijk countervailing power in.
  • Bij de keuze van de uitvoerder wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen van het pensioenfonds.
  • De uitkomst van het selectieproces wordt waar relevant getoetst door een extern adviesbureau, c.q. het proces kan worden uitbesteed aan een extern adviesbureau.
  • Het bestuur voert periodiek een controle uit op de marktconformiteit van de uitbestede acties en processen.
  • Het bestuur voert periodiek een controle uit op (het proces van) de datakwaliteit van de uitbestede processen.
  • Het uitbestedingsbeleid wordt minimaal elke twee jaar door het bestuur geëvalueerd en is laatstelijk updatet vastgesteld in november 2019.
  • Er dienen afspraken te worden gemaakt over de wijze waarop een overeenkomst wordt beëindigd, en over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het pensioenfonds de werkzaamheden na beëindiging van een overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
  • Het bestuur voert jaarlijks evaluatiegesprekken met de uitbestedingspartijen. Bij het afscheid van een uitbestedingspartij wordt een exitgesprek gevoerd.
  • Bij het uitbesteden van activiteiten worden minimaal twee offertes opgevraagd.
  • Het bestuur onderschrijft het IMVB-convenant Pensioenfondsen. Hiermee draagt het pensioenfonds bij aan het realiseren van de doelstellingen van het convenant.

4.4.2 Beleggingsbeleid

Beleggingsbeleid
Het pensioenfonds doorloopt voor de totstandkoming en uitvoering van het strategisch beleggingsbeleid onderstaande beleggingscyclus:


In lijn met de prudent person regel, sluit het strategisch beleggingsbeleid aan bij de doelstellingen, Investment Beliefs en risicohouding van het pensioenfonds:

Doelstellingen
De voornaamste financiële doelstellingen van het pensioenfonds zijn:

  • Het waarborgen van de opbouw van de pensioenaanspraken overeenkomstig de in het reglement vastgelegde bepalingen.
  • Het minimaliseren van de kansen op een dekkings- en reservetekort, alsmede van de mate van dekkings- en reservetekort.
  • Het maximaliseren van het beleggingsrendement (binnen de risicokaders) om de nagestreefde toeslagen te realiseren.

De doelstelling van het beleggingsbeleid (in samenhang met bovenstaande doelstellingen) is:
Het op lange termijn realiseren van een zo hoog mogelijk rendement uitgaande van de strategische asset allocatie bij een acceptabel risico, rekening houdend met en passend bij de verplichtingenstructuur van het pensioenfonds.

Investment Beliefs
Ten aanzien van de gestelde doelen heeft het bestuur Investment Beliefs geformuleerd die - tezamen met de ‘prudent person’ regel - het kader vormen waarbinnen het beleggingsbeleid wordt uitgevoerd. Het pensioenfonds heeft haar Investment Beliefs in 2020 geactualiseerd.

De Investment Beliefs van het pensioenfonds zijn als volgt:

1. Ambitieniveau en pensioenverplichtingen zijn leidend

De beleggingsportefeuille dient zodanig ingericht te worden dat het rendements-/risicoprofiel op lange termijn zo goed mogelijk aansluit bij het ambitieniveau, de risicobereidheid en de onderhavige verplichtingen van het pensioenfonds.

2. Wij hanteren de strategische vermogensallocatie, inclusief afdekkingsstrategieën, als de meest bepalende beleggingsbeslissing voor het rendement en het risico van de portefeuille

3. Diversificatie of spreiding verbetert de verhouding tussen rendement en risico

Het bestuur is van mening dat spreiding over meerdere beleggingscategorieën en risicobronnen bijdraagt aan een stabiele ontwikkeling van de dekkingsgraad. Diversificatie is dan ook een uitgangspunt bij de inrichting van de portefeuille. Hierbij kijkt het bestuur wel kritisch naar de verwachte diversificatievoordelen. Sommige beleggingscategorieën lijken diversificatievoordeel op te leveren, maar zijn in de praktijk sterk afhankelijk van bestaande risicobronnen in de portefeuille. Daarnaast kunnen correlaties oplopen in extreme situaties, waardoor diversificatievoordelen verminderen.

4. Beleggingsrisico wordt beloond

Risicomanagement is geïntegreerd in het beleggingsproces: risico en rendement kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er zijn beleggingscategorieën te vinden waarmee, door het nemen van risico, een risicopremie verdiend kan worden. Voor elke beleggingscategorie wordt de afweging gemaakt of tegenover het risico in verwachting een adequate vergoeding staat. Pensioenfonds Particuliere Beveiliging verwacht dat onder andere de risicofactoren aandelen, krediet en illiquiditeit op lange termijn worden beloond met een passend rendement.

5. Rente- en valutarisico worden in hoge mate als onbeloond gezien

Het pensioenfonds gelooft dat rente- en valutabewegingen niet te voorspellen zijn. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan risicobeheersing worden deze risico’s strategisch afgedekt, waarbij de mate van afdekking afhangt van de specifieke eigenschappen van het risico ten aanzien van verplichtingen en dekkingsgraad en de mogelijkheden om de afdekking efficiënt en beheerst uit te voeren.

6. Individuele beleggingscategorieën moeten voldoende omvang hebben om een materiële bijdrage te kunnen leveren aan de portefeuille en om de toename van complexiteit van de portefeuille te kunnen verantwoorden

7. Passief beheer

Er bestaan inefficiënties in financiële markten, maar het is onzeker of het pensioenfonds hier de voordelen van kan realiseren. Dit komt door de hogere kosten en de twijfel of strategieën die hierop inspelen houdbaar zijn voor de langere termijn. Om deze reden is passief beleggen* het uitgangspunt.

* Hiermee wordt bedoeld beleggen met als doelstelling het halen van een vergelijkbaar rendement als de relevante index. Hierbij worden geen eigen actieve keuzes voor beleggingstitels gemaakt. Doelstelling is tevens de transactiekosten zo laag mogelijk te houden.

8. Maatschappelijk verantwoord beleggen loont

De wereld en daarmee het pensioenfonds is gebaat bij een samenleving, waarin met respect wordt omgegaan met mens en milieu en waarin voldoende aandacht wordt gegeven aan het goed besturen van ondernemingen en andere instituties. Het pensioenfonds is ervan overtuigd dat verantwoord beleggen bijdraagt aan verantwoorde, stabiele en goede beleggingsresultaten en dat het tevens uitdrukking geeft aan de maatschappelijke betrokkenheid van het pensioenfonds.

9. Uitbesteding van delen van het beleggingsproces is noodzakelijk om voor elk onderdeel in het proces de gepaste kennis en expertise in huis te halen

10. Kostenbewustzijn is essentieel bij het inrichten van een beleggingsportefeuille. Verwachte opbrengsten zijn onzeker, maar kosten merendeels niet

Risicohouding
De risicohouding van het pensioenfonds voldoet aan de prudent person regel en komt tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen grenzen in het kader van de haalbaarheidstoets. Voor de korte termijn vertaalt dit zich in de hoogte van het vereist eigen vermogen en de bijbehorende bandbreedte.

Voor toepassing binnen de in 2020 uitgevoerde ALM-studie zijn de volgende kritische grenzen gedefinieerd:

  • Dekkingsgraad: 104,3%.
  • VEV-bandbreedte: 119,0% - 125,0%.
  • Toeslagrealisatie: min 30%, jaarlijkse kortingskans: maximaal 8%, omvang korting:
    maximaal 10%, omvang korting (1e percentiel): 45%.

Voor toepassing binnen de haalbaarheidstoets zijn de volgende grenzen gedefinieerd:

  • Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit het vereiste vermogen: 100%.
  • Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit de feitelijke financiële positie: 90%.
  • Maximale afwijking bij slechtweerscenario: 50%.

Risicohouding korte termijn (tot 3 jaar)
De mate waarin beleggingsrisico’s worden gelopen komt terug in het vereist eigen vermogen (VEV), zijnde de omvang van het eigen vermogen waarover een pensioenfonds, gegeven een bepaald risicoprofiel, zou moeten beschikken. Op basis van de uitgangssituatie van 1 januari 2015 is de risicohouding op korte termijn geformuleerd als een bandbreedte voor het strategische VEV ter grootte van 119,0% - 125,0%. Zodra het strategische VEV buiten deze bandbreedte komt, of dreigt te komen, wordt het risicoprofiel van het pensioenfonds, in overleg met cao-partijen heroverwogen. Daarnaast wordt gekeken naar het feitelijke VEV, welke binnen dezelfde bandbreedte van +/- 3% om het strategische VEV moet bewegen. Zodra het feitelijke VEV buiten deze bandbreedtes treedt dan wordt dit besproken met de uitvoerend bestuurders en vervolgens in het bestuur.

Het pensioenfonds brengt op basis van het VEV de financiële risico’s in kaart met behulp van de voor het VEV voorgeschreven wegingsmethode. Hieruit blijkt dat het renterisico en marktrisico’s de belangrijkste risico’s voor het pensioenfonds zijn. Het renterisico wordt deels afgedekt (60%) evenals het valutarisico. Het marktrisico wordt voor zover mogelijk beperkt door voldoende spreiding in de beleggingsportefeuille aan te brengen.

Strategisch beleggingsbeleid en doorvertaling
Het strategisch beleggingsbeleid wordt ten minste iedere drie jaar geëvalueerd en gedocumenteerd. Het strategisch beleggingsbeleid is tot stand gekomen op basis van de in 2020 uitgevoerde ALM-studie met als input de doelstellingen en ambitie, de Investment Beliefs ten aanzien van risicobronnen, de evaluatie van beleggingscategorieën, de risicohouding van het pensioenfonds en de verwachte rendementen.

De voornaamste uitkomsten van deze ALM-studie zijn:

  • Het handhaven van de bestaande match/return-verdeling (35/65%) en niveau van de renteafdekking (60%).
  • Het verhogen van de allocatie naar particuliere hypotheken ten laste van het volledig afbouwen van de grondstoffen-allocatie.
  • Het volledig afbouwen van de allocatie naar beursgenoteerd vastgoed ten gunste van de andere beleggingscategorieën in de returnportefeuille.

Het beleggingsplan betreft een jaarlijkse vertaling hiervan met concrete en gedetailleerde normgewichten en bandbreedtes per beleggingscategorie.

Implementatie & uitbesteding vloeit voort uit het beleggingsplan. Er zijn afspraken gemaakt met de fiduciair manager en de vermogensbeheerders via Investment Management Agreements (IMA’s) en SLA’s. Ten behoeve van de monitoring worden diverse rapportages ontvangen van de relevante partijen. Op een aantal specifieke onderdelen is beleid geformuleerd, namelijk over manager selectie en monitoring, tegenpartijen en securities lending.

4.4.3 Uitvoeringskosten

Het pensioenfonds probeert volledige inzage in de kosten te geven, waarbij de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd worden. De kosten pensioenbeheer worden gerapporteerd in euro per deelnemer. Het aantal deelnemers is het totaal van het aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden ultimo 2022. Alle bedragen in deze paragraaf zijn in € 1.000, tenzij anders aangegeven.

  2022 2021
Totale kostenratio 0,67% 0,52%
     
Pensioenuitvoeringskosten    
Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten 5.342 4.918
Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten 4.836 4.608
     
Kosten pensioenbeheer incl. projectkosten per deelnemer (x € 1,-) 187,76 172,31
Kosten pensioenbeheer excl.projectkosten per deelnemer (x € 1,-) 169,98 161,44
     
Vermogensbeheerkosten    
Totaal vermogensbeheerkosten 10.742 11.315
Totaal beheerskosten 8.857 7.685
Totaal transactiekosten 1.885 3.630
     
Totaal vermogensbeheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,51% 0,47%
Totaal beheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,42% 0,32%
Totaal transactiekosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,09% 0,15%
     

De pensioenfederatie heeft in haar ledenmail van 20 december 2022 een nieuw ratio geïntroduceerd. De Pensioenfederatie beveelt aan om, naast de bestaande (wettelijke) kengetallen met betrekking tot de uitvoeringskosten, een zogenaamde “totale kostenratio” op te nemen in het jaarverslag. Dit geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen. Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens als belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Dit percentage heeft het pensioenfonds conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen. In 2022 bedroeg de totale kostenratio 0,67%, terwijl dit in 2021 nog 0,52% was. De toename wordt met name veroorzaakt door de daling van het gemiddeld belegd vermogen met € 288 mln.

4.4.3.1 Toelichting pensioenuitvoeringskosten

De kosten pensioenbeheer bestaan uit de volgende componenten:

  • Kosten deelnemer.
  • Kosten werkgever.
  • Kosten bestuur en financieel beheer.
  • Kosten projecten.

De kosten deelnemer hebben betrekking op alle werkzaamheden die de administratie van het pensioenfonds verricht om de pensioenaanspraken te administreren, de uitkeringen van de pensioengerechtigden te verzorgen en alle deelnemers en pensioengerechtigden te informeren. Te denken valt hierbij aan het verwerken van waardeoverdrachten, het afkopen van kleine pensioenen, het toekennen van pensioenen en de communicatie met alle doelgroepen (helpdesk, website, pensioenplanner, nieuwsbrief, Uniform Pensioenoverzicht, pensioen 1-2-3, enzovoorts).

De kosten werkgever hebben betrekking op alle activiteiten die voortvloeien uit het beheer van het bestand van aangesloten werkgevers, de aanlevering en verwerking van de werknemersgegevens, het opleggen en innen van de pensioenpremies en het onderhouden van de contacten met die werkgevers.

De kosten bestuur en financieel beheer hebben betrekking op de bestuurlijke kosten (bestuur, verantwoordingsorgaan en auditcommissie), het voeren van het secretariaat, het opstellen van het jaarverslag en het samenstellen van financiële rapportages, de kosten van het wettelijk toezicht (DNB, AFM) en de advies- en controlekosten (actuaris, accountant, aan derden uitbestede activiteiten).

De projectkosten in 2022 zijn gemaakt in het kader van de Wet toekomst pensioenen.

De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor Bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling wordt ieder jaar vastgesteld door het Bestuur. Deze toerekening van kosten is niet op de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.

In de volgende tabel is een specificatie opgenomen van de kosten pensioenbeheer die het pensioenfonds in het verslagjaar heeft gemaakt. Tevens worden ter vergelijking de kosten van 2021 weergegeven.

  2022 2021
Kosten werknemer    
Administratie, communicatie en uitvoering 2.755 2.528
Kosten werkgever    
Administratie, communicatie en uitvoering 423 396
Kosten bestuur en financieel beheer    
Ondersteuning en financiële administratie 793 809
Toezichtkosten    
DNB 119 116
AFM 37 19
Verantwoordingsorgaan 27 28
Advies- en controlekosten    
Actuaris 146 141
Accountant en compliance 58 78
Pensioenfederatie 36 35
Kosten bestuur en vergaderingen 273 248
Diverse adviseurs 129 135
Overige kosten 40 75
     
Projectkosten 506 310
     
Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten 5.342 4.918
     
Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten 4.836 4.608
     
Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer    
Kosten accountant/adviseur 120 148
Kosten bestuursondersteuning 206 204
Kosten bestuur 300 277
Overige kosten 183 86
Totaal toegerekend aan kosten vermogensbeheer 809 715
     
Totaal pensioenbeheerskosten in de jaarrekening 6.151 5.633
     
     
Actieve deelnemers 22.717 23.248
Pensioengerechtigden 5.734 5.296
Totaal aantal deelnemers 28.451 28.544
     
Pensioenbeheerskosten incl. projectkosten in euro per deelnemer 187,76 172,31
Pensioenbeheerskosten excl. projectkosten in euro per deelnemer 169,98 161,44
     

De totale pensioenuitvoeringskosten van 2022 komen uit op € 6.151, dit is een stijging ten opzichte van 2021 met € 518. Deze stijging wordt o.a. veroorzaakt door de kosten werknemer, waarin de administratie-, communicatie- en uitvoeringskosten zijn opgenomen die in 2022 zijn gestegen met € 227. Daarnaast zijn in 2022 de projectkosten voor de Wet toekomst pensioenen gestegen met € 196. De overige kostensoorten zijn in totaliteit nagenoeg gelijk gebleven.

Oordeel bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (de Pensioenfederatie) beoordeeld of de pensioenbeheerkosten passend zijn in relatie tot het serviceniveau, complexiteit van het pensioenfonds en de pensioenregelingen, de communicatiestrategie van het pensioenfonds en de waardeoverdrachten. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is.

In oktober 2022 kwam benchmarkvergelijking over het jaar 2021 via Bell beschikbaar voor het bestuur. Het bestuur heeft deze in januari 2023 in de bestuursvergadering besproken. Een belangrijke conclusie daaruit was dat de deelnemerskosten voor pensioenbeheer in 2021 op basis van de definitie van de Pensioenfederatie onder het gemiddelde van de Peergroup lagen. Het bestuur heeft op basis van het genoemde onderzoek geconcludeerd dat de kosten voor pensioenuitvoering in positieve zin in lijn lagen met de Peergroup.

Over 2021 hanteerde het bestuur de vergelijking op basis van het genoemde benchmarkrapport. De kosten voor pensioenuitvoering per deelnemer bedroegen bij het pensioenfonds over 2021 volgens de rapportage € 172,-. De Peergroup van pensioenfondsen waarmee het pensioenfonds kan worden vergeleken, toonde over de genoemde periode een bedrag van € 198,- aan uitvoeringskosten.

Het bestuur vindt de uitvoeringskosten van € 172,- per deelnemer over 2021 acceptabel. Op basis van de vergelijking in benchmark zijn deze kosten in lijn met, zelfs lager dan die van vergelijkbare pensioenfondsen. Daarnaast is het bestuur van mening dat de kosten passen bij de dienstverlening die het pensioenfonds biedt aan zijn stakeholders. De toename van de kosten ten opzichte van 2020 is verklaarbaar door onder andere projectkosten en gestegen kosten bij uitbestede partijen (indexatie). Er is bij het fonds wel een stijgende lijn waarneembaar ten aanzien van die kosten: in 2019 en 2020 bedroegen deze namelijk respectievelijk € 156,- en € 147,-.

Deze toename is niet wenselijk in de zin dat het bestuur een stabiliserende of zelfs dalende trend in de kosten wil bewerkstelligen. Gezien de wettelijke ontwikkelingen (Wet toekomst pensioenen) blijkt al over het verslagjaar 2022 dat dit een uitdaging vormt met de uitvoeringskosten van € 188,- per deelnemer. Niettemin blijft het bestuur hierop sturen. Hierop wordt in de paragraaf Vooruitblik 2023 nader ingegaan.

4.4.3.2 Toelichting Vermogensbeheerkosten

Het inzicht in en de beheersing van kosten van vermogensbeheer in de pensioensector heeft grote aandacht gekregen. Het beleid is gericht op het verhogen van inzicht, om de kosten nog beter te kunnen beheersen en te reduceren, met behoud van rendement. Het pensioenfonds volgt in de presentatie van de kosten van vermogensbeheer de “Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in november 2011 en de “Nadere uitwerking kosten vermogensbeheer herziene versie met aanvullingen van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in februari 2016.

      Transactiekosten    
2022 Beheerkosten Performance
gerelateerde
kosten
Transactiekosten
excl. aan- verkoopkosten
Aan- en verkoopkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 1.139 1.707 28 -177 2.697
Aandelen 408 - 125 186 719
Alternatieve beleggingen 673 -17 172 144 972
Vastrentende waarden 972 - 786 260 2.018
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay 3.192 1.690 1.111 413 6.406
Kosten overlay beleggingen -   361 - 361
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay 3.192   1.472 413 6.767
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. 809       809
Fiduciair beheer 2.202       2.202
Bewaarloon 101       101
Advieskosten vermogensbeheer 157       157
Overige kosten 706       706
Totaal overige vermogensbeheerkosten 3.975       3.975
           
Totaal kosten vermogensbeheer 7.167 1.690      
          10.742
           
      Transactiekosten    
2021 Beheerkosten Performance
gerelateerde
kosten
Transactiekosten
excl. aan- verkoopkosten
Aan- en verkoopkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 842 928 26 1.476 3.272
Aandelen 443 - - 223 666
Alternatieve beleggingen 544 119 370 64 1.097
Vastrentende waarden 1.037 - 246 777 2.060
Commodities 36 - - 139 175
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay 2.902 1.047 642 2.679 7.270
Kosten overlay beleggingen -   309 - 309
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay 2.902 1.047 951 2.679 7.579
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. 714       714
Fiduciair beheer 2.121       2121
Bewaarloon 116       116
Advieskosten vermogensbeheer 130       130
Overige kosten 655       655
Totaal overige vermogensbeheerkosten 3.736       3.736
           
Totaal kosten vermogensbeheer 6.638 1.047      
          11.315
           

Toelichting op vermogensbeheerkosten
Op totaalniveau zijn de kosten ruim 5% gedaald met € 574. Dit terwijl de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds veel harder in waarde afnam (ca 25%). Dit laat zich vooral verklaren door de vaste kosten en de kosten van de illiquide beleggingscategorieën zoals privaat vastgoed en infrastructuur, categorieën die in tegenstelling tot aandelen en vastrentende waarden juist zijn gestegen in waarde.

De beheerkosten van het privaat vastgoed en infrastructuur nemen met € 426 toe. De performancekosten van het vastgoed stijgen nemen toe met € 779.

Omdat er in 2022 geen transities hebben plaatsgevonden zijn de transactiekosten fors afgenomen. Deze dalen van € 2,6 miljoen in 2021 naar € 413 in 2022.

Hieronder is een toelichting per categorie opgenomen:

  • De performancekosten van het privaat vastgoed zijn sterk toegenomen. Dit is één van de weinige categorieën die in 2022 een (sterk) positief rendement kenden.
  • Bij de vastrentende waarden en aandelen zien we gedaalde beheerkosten. Dit is in lijn met de waardedalingen van de respectievelijke beleggingsportefeuilles.
  • Conform de aanbeveling Pensioenfederatie wordt voor alle categorieën waarbij in een fonds wordt belegd een volledige look through van transactiekosten toegepast. Bij look through is een correctie gemaakt voor de in- en uitstapvergoedingen bij beleggingsfondsen, door het pro rata deel van deze opbrengsten te verdisconteren met de in- en uitstapvergoedingen die door het pensioenfonds zijn betaald. Daarnaast is het pro rata deel van de transactiekosten in een beleggingsfonds aan het pensioenfonds toegerekend.
  • De kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursondersteuning & de advieskosten waren in 2022 hoger dan in 2021 door indexering van de tarieven.
  • De kosten voor fiduciair beheer waren in 2022 hoger dan in 2021 door indexering van het tarief.
  • De post bewaarloon en overige kosten bevat kosten voor aanvullende dienstverlening (zoals rapportages, compliance monitoring, bankdiensten, belastingterugvordering) door Caceis. De kosten van Caceis zijn gedaald vanwege het lagere aantal transacties. Verder zijn onder overige kosten de aanvullende kosten opgenomen van het Euro Liquidity Funds van Columbia Threadneedle Investments. Deze kosten zijn gestegen, wat zich laat verklaren door de hoeveelheid transacties in het Liquidity Fund als gevolg van de sterke rentebewegingen in 2022.

In 2022 zijn de totale kosten van het vermogensbeheer € 10.742, wat gesplitst kan worden in € 8.857 aan beheerkosten (inclusief de performance gerelateerde kosten) en € 1.885 aan transactiekosten.

Met een gemiddeld belegd vermogen over 2022 van € 2.133.579 komen de totale kosten vermogensbeheer uit op 0,51% (2021: 0,47%), waarvan 0,42% beheerkosten (2021: 0,32%) en 0,09% transactiekosten (2021: 0,15%) van het gemiddeld belegd vermogen.

Bruto en netto rendement
Het brutorendement van de beleggingsportefeuille bedroeg -26,8% over 2022, versus een benchmarkrendement van -27,48%. Dit betekent dat het pensioenfonds een ‘outperformance’ had van 0,94%-punt. Na beheerkosten (34bp) blijft er voor het pensioenfonds nog steeds een outperformance over van 0,60%-punt.

Rendement op langere termijn en risico
Het pensioenfonds is een passieve belegger en heeft de beleggingsportefeuille dan ook (grotendeels) als zodanig ingericht. De strategische portefeuille is een uitvloeisel van de pensioenambities alsook de beleggingsovertuigingen van het pensioenfonds. Het pensioenfonds monitort periodiek of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie nog actueel zijn en of met de huidige strategische portefeuille invulling kan worden gegeven aan de risicohouding (pensioenambities) van het pensioenfonds. Als uit deze periodieke monitoring blijkt dat de strategische portefeuille onvoldoende toereikend is en/of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie niet langer actueel zijn onderneemt het bestuur van het pensioenfonds, in overleg met de sociale partners, verdere actie.

Prestatie gerelateerde vergoedingen
Het pensioenfonds betaalt een prestatievergoeding voor de beleggingen in zowel Infrastructuur als Privaat vastgoed. De totale prestatievergoeding bedraagt over 2022 ruim € 1.690 versus een bedrag van € 1.047 over 2021. Een hogere prestatievergoeding betekent dan ook dat de performance van deze twee categorieën over 2022 significant hoger is geweest.

Benchmarking
Bell Pension Consultants & Actuaries heeft op verzoek van het bestuur van het pensioenfonds een benchmarkonderzoek uitgevoerd naar de door het pensioenfonds gemaakte uitvoeringskosten. Dit benchmarkonderzoek heeft betrekking op de door het pensioenfonds gemaakte kosten over de periode (2019 t/m 2021) in vergelijking met een peergroup van 68 (vergelijkbare) pensioenfondsen. Over de gemeten periode bedragen de gemiddelde vermogensbeheerkosten (exclusief transactiekosten) 0,31% van het belegde vermogen. Dit is gelijk aan de kosten bij de peergroup.

Voor wat betreft de transactiekosten geldt dat het driejaarsgemiddelde van het pensioenfonds (0,13%) boven het gemiddelde van de peergroup (0,07%) ligt. Dit laat zich vooral verklaren door de jaren 2019 en 2021 waarin enkele transities binnen de beleggingsportefeuille hebben plaatsgevonden.

Oordeel bestuur over de kosten van vermogensbeheer
Het bestuur heeft conform de “Aanbevelingen uitvoeringskosten (De Pensioenfederatie)” beoordeeld of de vermogensbeheerkosten in relatie tot de assetallocatie en de benchmarkkosten en het rendement op lange termijn en het benchmarkrendement passend zijn. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is, waarbij het bestuur zich heeft gebaseerd op de vergelijking met andere pensioenfondsen die zijn opgenomen in het benchmarkingrapport 2019 t/m 2021 van Bell. Het bestuur concludeert dat de door het pensioenfonds gemaakte vermogensbeheerkosten in lijn zijn met wat in de markt gebruikelijk is, kijkend naar zowel de strategische allocatie alsook de omvang van het belegde pensioenvermogen.

4.4.4 Klokkenluiders- en Incidentenregeling

Het pensioenfonds beschikt over een Klokkenluiders- en Incidentenregeling. Deze bevat een procedure voor interne en externe meldingen van Incidenten en (potentiële) Misstanden (onregelmatigheden) en de afhandeling daarvan. De regeling bevat waarborgen voor de bescherming van de melder of de klokkenluider volgens deze regeling die te goeder trouw melding maakt van incidenten en (potentiële) misstanden. Het bestuur bevordert dat de dienstverleners van het pensioenfonds een Klokkenluiders- en Incidentenregeling hebben. In 2022 hebben zich geen datalekken voorgedaan. Bij pensioenadministrateur TKP hebben zich in 2022 tien operationele incidenten voorgedaan waarover is gerapporteerd en die zijn vastgelegd in het Incidentenregister. Deze zijn naar behoren opgelost.

4.4.5 Klachten

Een klacht of een geschil is elke uiting van ontevredenheid over de uitvoering van de pensioenregeling, de bejegening of over een genomen besluit van het pensioenfonds onafhankelijk van plaats, tijd of manier van uiten.

 Aantal klachten en geschillen 2022 2021
Aantallen klachten 106 83
Aantallen geschillen 2 3

Klachten
In 2022 zijn 4 bezwaren op nota,  23 klachten en 79 telefonische klachten ontvangen. Deze telefonische klachten worden direct afgehandeld.

Van het totaal aantal klachten en geschillen dat is ontvangen in 2022, zijn er 57 afkomstig van deelnemers en 51 van de werkgevers.

De stijging van het aantal klachten wordt met name veroorzaakt door de toename van de telefonische klachten. In 2022 zijn in totaal 79 telefonische klachten ontvangen, in 2021 waren dit 48 telefonische klachten. Daarnaast zijn er in totaal 34 meer klachten van deelnemers ontvangen.

 Klachten Aantallen:  
Klachten in behandeling 1 januari 2022: 1  
Ingediende klachten: 106  
Waarvan behandeld als klacht   106
Waarvan normaal in behandeling genomen door pensioenfonds   106
Waarvan behandeld door de Ombudsman Pensioenen   0
Afgehandeld in 2022: 104  
In behandeling 31 december 2022: 1  

Geschillen
In 2022 zijn 2 geschillen voorgekomen, die bij initiële afhandeling als klacht zijn opgepakt. Bij beide geschillen was er sprake van  ontevredenheid over een beslissing over de uitvoering van de regeling.

 Geschillen Aantallen:  
Geschillen in behandeling 1 januari 2022: 0  
Ingediende geschillen: 2  
Waarvan behandeld als geschil   2
Waarvan normaal in behandeling genomen door pensioenfonds   2
Waarvan behandeld door de Ombudsman Pensioenen   0
Afgehandeld in 2022: 2  
In behandeling 31 december 2022: 0  

4.5 Actuariële analyse

Analyse van het resultaat*
In de volgende tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van het pensioenfonds vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen kunnen afwijken van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.

* Genoemde bedragen zijn x € 1.000

(bedragen x € 1.000) 2022 2021
Resultaat op beleggingen -681.187 107.987
Resultaat op wijziging RTS 719.887 158.596
Resultaat op premie -2.238 -6.923
Resultaat op toeslagverlening -112.136 -10.185
Resultaat op waardeoverdrachten -719 -327
Resultaat op kosten 42 42
Resultaat op uitkeringen -366 -33
Resultaat op kanssystemen -4.501 2.842
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen -19.634 18.439
Resultaat op andere oorzaken -67 -138
Totaal saldo van baten en lasten -100.919 270.300

Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:

  • Alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer.
  • De rentelasten over vreemd vermogen, achtergestelde leningen en rekening courantverhoudingen met andere partijen.
  • De benodigde interesttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars spot rate uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaareinde van het vorige verslagjaar.

Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt € -681.187. Dit bedrag bestaat uit het behaalde beleggingsresultaat (€ -687.688) en benodigde interest (€ 10.194). Het rendement op de beleggingen draagt in 2022 negatief bij aan de dekkingsgraad.

Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De mutatie van € 719.887 betreft de wijziging van de technische voorzieningen voor risico pensioenfonds door de wijziging RTS in het boekjaar. Hiervan wordt € 723.371 veroorzaakt door de wijziging van de RTS en € -3.484 door de aanpassing van de UFR.

De stijging van de rente zorgt voor een daling van de technische voorzieningen. Dit levert een positieve bijdrage aan het resultaat in het boekjaar.

Premie
Het resultaat op premie wordt vastgesteld door de totaal ontvangen premie af te zetten tegen de actuarieel benodigde premie.

Om het resultaat op premie correct vast te stellen wordt de saldering van alle baten en lasten in verband met premie afgezet tegen de mutatie van de technische voorzieningen als gevolg van inkoop van aanspraken.

De lasten in verband met premie bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Het deel van de ontvangen premie dat bestemd is voor dekking van de directe uitvoeringskosten in het verslagjaar.
  • Het deel van de ontvangen premie dat bestemd is voor dekking van de toekomstige uitvoeringskosten horend bij de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken in het verslagjaar.

De mutatie van de TV in verband met premie bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De inkoop van nieuwe aanspraken, exclusief opslag voor toekomstige uitvoeringskosten.
  • De overlijdensrisicokoopsom voor nog niet gefinancierd verzekerd nabestaandenpensioen.
  • De risicokoopsom voor arbeidsongeschiktheid.

Het resultaat op premie bedraagt € -2.238.

Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid.

Toeslagverlening
Het bestuur heeft, op basis van de financiële positie, besloten om per 1 januari 2022 een toeslag te verlenen van 0,5% en per 1 september 2022 een toeslag van 0,71% aan de actieve en inactieve deelnemers van het pensioenfonds. Per 1 januari 2023 is een toeslag verleend van 7,0% aan de actieve en inactieve deelnemers van het pensioenfonds. Het totale resultaat op toeslagverlening in het boekjaar bedraagt € -112.136. 

Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Een aanpassing van de actuariële grondslagen of methoden in het verslagjaar leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de prudentie van de grondslagen. Indien grondslagen wijzigen wordt dit resultaat hier vermeld.

In september 2022 heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap de Prognosetafel AG2022 gepubliceerd. Het pensioenfonds is per 30 november 2022 overgegaan op deze prognosetafel. Dit heeft een negatief effect op het resultaat van € 12.948. Ook heeft een aanpassing van de correctiefactoren op de sterftekansen plaatsgevonden. Deze aanpassing heeft een verhogend effect op het resultaat van € 1.996.

Daarnaast is de PVI-opslag verhoogd van 8,5% naar 10,5%. Dit heeft een verlagend effect op het resultaat met € -3.355.

Tenslotte is met ingang van 2023 is het opbouwpercentage van de toekomstige opbouw van de arbeidsongeschikten verhoogd van 1,35% naar 1,60%. Deze aanpassing heeft geleid tot een verlaging van het resultaat met € -5.327.

Andere oorzaken
Dit zijn overige actuariële resultaten die ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van hetgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerdergenoemde categorieën.

Kostendekkende premie
De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw en de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid, een solvabiliteitsopslag, de opslag voor uitvoeringskosten en de opslag voor toeslagverlening en reservetekort.

De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur per 31 december 2021. De gedempte kostendekkende premie is gebaseerd op het gemiddelde van 60 gepubliceerde rentetermijnstructuren.

Voor de toetsing van de premie is de vooraf bepaalde (ex-ante) gedempte kostendekkende premie gehanteerd. In de volgende tabel is een overzicht opgenomen van de kostendekkende premie, de ex-ante en de ex-post gedempte premie en de feitelijke premie.

Premiecomponent Kostendekkende premie Gedempte premie (ex post) Gedempte premie (ex ante) Feitelijke premie
(ex post)
Inkoop onvoorwaardelijke opbouw 65.893 25.810 25.605  
Risicopremie overlijden 1.817 1.050 1.136  
Risicopremie arbeidsongeschiktheid 5.769 2.260 2.273  
Opslag toekomstige uitvoeringskosten 1.977 774 802  
Opslag uitvoeringskosten 5.565 5.565 5.024  
Solvabiliteitsopslag 15.587 6.175 6.053  
Premie voorwaardelijke onderdelen 0 14.401 14.150  
Ontvangen premie       77.954
Afrekening vorig jaar       449
Totale premie 96.608 56.035 55.043 78.403

De premie voor 2022 wordt getoetst aan de hand van de voorschriften van het FTK, op basis van de ex-ante berekende premies. Het uitgangspunt is dat de verwachte (ex-ante) feitelijke premie (de beschikbare premie) van € 77.049, minimaal gelijk is aan de ex-ante gedempte kostendekkende premie (de benodigde premie) van € 55.043. Op basis van deze ex-ante opstelling is de premie kostendekkend.

De in het boekjaar ontvangen premie bedraagt € 78.403. Hiervan heeft € 449 betrekking op pensioenopbouw over voorgaande boekjaren. De feitelijke premie (ex-post) bedraagt hierdoor € 77.954.

Achteraf (ex-post) bekeken bedraagt de gedempte kostendekkende premie € 56.035 en de feitelijke premie (exclusief de premie voorgaande boekjaren) € 77.954. Ook op basis van de achteraf berekende bedragen is de feitelijke premie dus kostendekkend.

De verschillen tussen zowel de ex-post feitelijke premie en de ex-ante verwachte premie en de ex-post gedempte kostendekkende premie en de ex-ante gedempte kostendekkende premie worden verklaard door mutaties in het deelnemersbestand van het pensioenfonds.

Versie:
v6.2.23

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report