4.1 Financiële opzet en positie
Het resultaat in boekjaar 2025 bedraagt € 242.364 positief. Dit resultaat wordt mede veroorzaakt doordat de rentetermijnstructuur (RTS) is gestegen, waardoor de technische voorziening van het pensioenfonds is gedaald. Het netto effect van het behaalde negatieve rendement op de beleggingen is 4,8%. Het positieve resultaat op de RTS heeft een groter effect op het resultaat dan het negatieve effect op het beleggingsrendement. Dit resulteert in een positief resultaat ultimo 2025.
Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van een pensioenfonds. Het geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen weer. De dekkingsgraad kan wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van het beleggingsresultaat, verzekeringstechnische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de rentetermijnstructuur. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het gemiddelde van de twaalf maanddekkingsgraden naar de meest actuele inzichten.
Ontwikkeling dekkingsgraad
De dekkingsgraad is gestegen van 124,5% ultimo 2024 naar 143,2% per 31 december 2025. Het onderstaande verloop van de dekkingsgraad laat zien welke componenten de meeste invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad gedurende het jaar 2025.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Dekkingsgraad 1 januari | 124,5% | 121,4% |
| Premie | -2,0% | -1,7% |
| Uitkeringen | 0,4% | 0,3% |
| Toeslagverlening | 0,0% | -2,0% |
| Wijziging rentetermijnstructuur voorziening pensioenverplichtingen | 35,7% | -3,5% |
| Beleggingsrendementen (exclusief renteafdekking) | -8,6% | 8,2% |
| Wijziging uit hoofde overdracht van rechten | 0,1% | 0,1% |
| Wijziging actuariële grondslagen | -1,7% | 1,4% |
| Overige oorzaken | -5,2% | 0,3% |
| Dekkingsgraad 31 december | 143,2% | 124,5% |
Beleidsdekkingsgraad
Het bestuur neemt beslissingen op basis van de beleidsdekkingsgraad ultimo 2025 van 134,5%.
Een overzicht met het verloop van de dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad in de afgelopen 5 jaar wordt in de volgende grafiek getoond:
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| Dekkingsgraad | Beleidsdekkingsgraad | |
|---|---|---|
| 2021 | 123,9% | 117,5% |
| 2022 | 125,8% | 129,0% |
| 2023 | 121,4% | 129,5% |
| 2024 | 124,5% | 125,1% |
| 2025 | 143,2% | 134,5% |
Herstelplan
De dekkingsgraad per 31 december 2025 (143,2%) is hoger is dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen (122,3%). De beleidsdekkingsgraad (134,5%) is leidend en deze is eveneens hoger dan de dekkingsraad horend bij het vereist vermogen. Er is daarom geen herstelplan nodig.
Haalbaarheidstoets
Voor het jaar 2025 hoefde het pensioenfonds geen jaarlijkse haalbaarheidstoets uit te voeren. DNB heeft pensioenfondsen die volledig zouden invaren per 1 januari 2026 vrijstelling verleend van deze verplichting, onder de voorwaarde dat na invaren geen flexibele premieregeling met een vastgestelde uitkering wordt uitgevoerd.
Beleidsuitgangspunten
Voor toepassing binnen ALM-studies heeft het bestuur, tezamen met sociale partners, in 2020 de volgende beleidsuitgangspunten gedefinieerd, uitgaande van een startdekkingsgraad van 104,3% en een horizon van 15 jaar:
| Beleidsuitgangspunten | Norm |
|---|---|
| Toeslagrealisatie (% van maatstaf) | Minimaal 30% |
| Jaarlijkse kans op verlaging | Maximaal 8% |
| Omvang verlaging (zonder uitsmeren) (gemiddelde van scenario’s met verlaging) |
Maximaal 10% |
| Omvang verlaging (zonder uitsmeren) (1e percentiel) |
Maximaal 45% |
Periodiek worden de beleidsuitgangspunten, het ambitieniveau en de risicohouding met sociale partners geëvalueerd.
4.2 Beleid en beleidskeuzes
Het bestuur heeft beleid ontwikkeld op het gebied van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico’s en de financiële positie van het pensioenfonds te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig afgewogen. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenovereenkomst zoals die overeengekomen is tussen werkgevers en werknemers.
4.2.1 Premiebeleid
Het reglementaire premiepercentage is 25,5%. Mede uit het oogpunt van evenwichtige belangenafweging heeft het bestuur (in samenspraak met sociale partners) vanaf 2016 gekozen voor een rentedemping, waarbij 60 rentetermijnstructuren zijn gemiddeld. Vanaf 2020 is overgestapt op de methode op basis van verwacht rendement met een afslag voor indexatie.
De toetsing van de kostendekkendheid van de premie wordt uitgevoerd op basis van ex-ante cijfers, dus op basis van de vooraf verwachte premie en de vooraf vastgestelde gedempte kostendekkende premie.
De gedempte kostendekkende premie voor het verslagjaar bedraagt vooraf bepaald (ex-ante) € 96.880* en achteraf vastgesteld (ex-post) € 109.927. De samenstelling van de vooraf bepaalde en achteraf vastgestelde gedempte kostendekkende premies is als volgt:
| Ex-ante | Ex-post | |
|---|---|---|
| Actuarieel benodigd | 48.778 | 55.552 |
| Solvabiliteitsopslag | 11.512 | 13.055 |
| Opslag voor uitvoeringskosten | 6.351 | 6.581 |
| Premie voorwaardelijke onderdelen | 30.239 | 34.739 |
| Totaal | 96.880 | 109.927 |
De zuivere kostendekkende premie (zonder demping toe te passen) bedroeg in het verslagjaar € 161.148. De samenstelling van de zuivere kostendekkende premie is als volgt:
| 2025 | |
|---|---|
| Actuarieel benodigd | 125.155 |
| Solvabiliteitsopslag | 29.412 |
| Opslag voor uitvoeringskosten | 6.581 |
| Totaal | 161.148 |
De vooraf verwachte premie is € 96.880. Deze premie wordt gebruikt voor de toetsing van de kostendekkendheid van de premie met de vooraf bepaalde (ex-ante) gedempte kostendekkende premie. De feitelijke premie (ex-post) bedraagt € 120.330 (2024: € 106.279).
* Genoemde bedragen zijn x € 1.000.
4.2.2 Toeslagbeleid
De toeslag op de pensioenaanspraken van de (ex-)deelnemers en van de ingegane pensioenen is voorwaardelijk. Er bestaat geen recht op jaarlijkse toeslag. Of er toeslag wordt verleend en in welke mate is afhankelijk van de financiële middelen van het pensioenfonds en van het oordeel van het bestuur en de actuaris over de financiële positie van het pensioenfonds. In het verleden verleende toeslagen geven geen zekerheid over toeslagen in de toekomst.
Het bestuur heeft de volgende toeslagmatrix (geldend vanaf 1 juli 2015) vastgesteld:
- Ondergrens voor voorwaardelijke toeslagverlening 110% (wettelijk).
- De bovengrens voor voorwaardelijke toeslagverlening vast te stellen conform de FTK-systematiek (wettelijk).
- Inhaaltoeslagen toestaan vanaf een beleidsdekkingsgraad hoger dan de bovengrens (135%).
Bij het toekennen van toeslagen kijkt het bestuur ook naar de economische situatie en kan worden afgeweken van het toeslagbeleid.
Vanwege de overgang naar de Wtp per 1 januari 2026, heeft het bestuur besloten geen toeslag te verlenen per 31 december 2025. De uitkeringen zijn echter wel verhoogd in 2026. Na het invaren houdt het pensioenfonds minder buffers aan en is een deel van het vermogen verdeeld onder de deelnemers. De SPR-uitkeringen zijn hoger dan de FTK-uitkeringen. In onderstaande tabel is het effect te zien voor levenslang ouderdomspensioen bij verschillende leeftijden.
| Leeftijd | Hogere uitkering |
|---|---|
| 65 | +22,7% |
| 70 | +21,3% |
| 75 | +19,4% |
| 80 | +16,9% |
| 85 | +13,9% |
Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de actieve deelnemers. Hun toeslagverlening volgde tot 1 januari 2020 de loonontwikkeling en vanaf 1 januari 2020 de prijsontwikkeling:
| Datum toeslag | Maatstaf (prijsindex) | Toegekend | Gemist |
|---|---|---|---|
| 1 januari 2006 | 1,15% | 1,15% | 0,00% |
| 1 januari 2007 | 1,25% | 1,25% | 0,00% |
| 1 januari 2008 | 3,10% | 3,10% | 0,00% |
| 1 januari 2009 | 3,25% | 0,00% | 3,25% |
| 1 januari 2010 | 3,10% | 0,90% | 2,20% |
| 1 januari 2011 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2012 | 2,30% | 0,00% | 2,30% |
| 1 januari 2013 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2014 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2015 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2016 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2017 | 2,50% | 0,00% | 2,50% |
| 1 januari 2018 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2019 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2020 | 1,03% | 0,00% | 1,03% |
| 1 januari 2021 | 1,97% | 0,00% | 1,97% |
| 1 januari 2022 | 1,21% | 0,50% | 0,71% |
| 1 september 2022 | 0,00% | 0,71% | -0,71% |
| 1 januari 2023 | 7,36% | 7,00% | 0,36% |
| 1 januari 2024 | 7,60% | 4,53% | 3,07% |
| 1 januari 2025 | 2,43% | 1,46% | 0,97% |
| 1 januari 2026 | 2,72% | 0,00% | 2,72% |
Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband op of na 1 januari 2004 is beëindigd:
| Datum toeslag | Maatstaf (prijsindex) | Toegekend | Gemist |
|---|---|---|---|
| 1 januari 2006 | 1,02% | 1,02% | 0,00% |
| 1 januari 2007 | 1,65% | 1,65% | 0,00% |
| 1 januari 2008 | 1,25% | 1,25% | 0,00% |
| 1 januari 2009 | 1,91% | 0,00% | 1,91% |
| 1 januari 2010 | 1,44% | 0,45% | 0,99% |
| 1 januari 2011 | 0,67% | 0,00% | 0,67% |
| 1 januari 2012 | 1,90% | 0,00% | 1,90% |
| 1 januari 2013 | 2,05% | 0,00% | 2,05% |
| 1 januari 2014 | 1,59% | 0,00% | 1,59% |
| 1 januari 2015 | 0,99% | 0,00% | 0,99% |
| 1 januari 2016 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2017 | 0,52% | 0,00% | 0,52% |
| 1 januari 2018 | 1,59% | 0,00% | 1,59% |
| 1 januari 2019 | 1,27% | 0,00% | 1,27% |
| 1 januari 2020 | 1,03% | 0,00% | 1,03% |
| 1 januari 2021 | 1,97% | 0,00% | 1,97% |
| 1 januari 2022 | 1,21% | 0,50% | 0,71% |
| 1 september 2022 | 0,00% | 0,71% | -0,71% |
| 1 januari 2023 | 7,36% | 7,00% | 0,36% |
| 1 januari 2024 | 7,60% | 4,53% | 3,07% |
| 1 januari 2025 | 2,43% | 1,46% | 0,97% |
| 1 januari 2026 | 2,72% | 0,00% | 2,72% |
Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband vóór 1 januari 2004 is beëindigd:
| Datum toeslag | Maatstaf (prijsindex) | Toegekend | Gemist |
|---|---|---|---|
| 1 januari 2006 | 1,15% | 1,15% | 0,00% |
| 1 januari 2007 | 1,25% | 1,25% | 0,00% |
| 1 januari 2008 | 3,10% | 3,10% | 0,00% |
| 1 januari 2009 | 3,25% | 0,00% | 3,25% |
| 1 januari 2010 | 3,10% | 0,90% | 2,20% |
| 1 januari 2011 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2012 | 2,30% | 0,00% | 2,30% |
| 1 januari 2013 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2014 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2015 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2016 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2017 | 2,50% | 0,00% | 2,50% |
| 1 januari 2018 | 0,00% | 0,00% | 0,00% |
| 1 januari 2019 | 1,50% | 0,00% | 1,50% |
| 1 januari 2020 | 4,52% | 0,00% | 4,52% |
| 1 januari 2021 | 1,97% | 0,00% | 1,97% |
| 1 januari 2022 | 1,21% | 0,50% | 0,71% |
| 1 september 2022 | 0,00% | 0,71% | -0,71% |
| 1 januari 2023 | 7,36% | 7,00% | 0,36% |
| 1 januari 2024 | 7,60% | 4,53% | 3,07% |
| 1 januari 2025 | 2,43% | 1,46% | 0,97% |
| 1 januari 2026 | 2,72% | 0,00% | 2,72% |
4.3 Uitvoering pensioenregeling
De taak van het pensioenfonds is het uitvoeren van de pensioenregeling die sociale partners hebben bepaald. Om invulling te geven aan deze taak heeft het pensioenfonds ten behoeve van de uitvoering van de pensioenregeling een pensioenreglement opgesteld. De uitvoering van de pensioen- en werkgeversadministratie is uitbesteed aan TKP. In deze paragraaf wordt ingegaan op het uitbestedingsbeleid waarop de uitbesteding van de pensioenuitvoering aan TKP is gebaseerd, het onderliggende beleggingsbeleid dat wordt gehanteerd voor de pensioenregeling, de kosten van de uitvoering (van de pensioenuitvoering en het vermogensbeheer) en de klachten- en incidentenregeling van het pensioenfonds.
4.3.1 Uitbestedingsbeleid
Het bestuur van het pensioenfonds hanteert de volgende uitgangspunten bij de uitbesteding van werkzaamheden, conform het Uitbestedingsbeleid PB zoals vastgesteld in december 2024:
- Het bestuur besteedt geen werkzaamheden uit die op grond van wet‑ en regelgeving niet mogen worden uitbesteed.
Dit geldt met name voor werkzaamheden die de verantwoordelijkheid voor beleidsbepaling, bedrijfsvoering of toezicht zouden ondermijnen. - Het bestuur blijft te allen tijde eindverantwoordelijk voor alle uitbestede activiteiten of processen.
Uitbesteding verlegt de uitvoering, maar nooit de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het fonds. - Het bestuur behoudt volledige zeggenschap over uitbestede werkzaamheden en zorgt ervoor dat het voldoende deskundigheid, informatie en procedures heeft om deze werkzaamheden te kunnen beoordelen.
- Het bestuur voert een systematische risicoanalyse uit voorafgaand aan uitbesteding, waarin onder andere financiële, operationele en continuïteitsrisico’s worden beoordeeld.
- Het bestuur controleert periodiek of uitbestedingspartijen voldoen aan de wettelijke bepalingen, afspraken uit de overeenkomst en relevante richtlijnen van DNB.
Dit gebeurt onder meer op basis van periodieke rapportages, incidentmeldingen en beoordeling van ISAE‑rapportages. - Alle afspraken met betrekking tot uitbesteding worden schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst en, waar nodig, een SLA.
Dit omvat o.a. prestatiedoelen, geheimhouding, beveiliging, continuïteitsafspraken en auditrechten. - Het bestuur selecteert uitvoerders op basis van kwaliteit, continuïteit, deskundigheid, financiële gezondheid en marktconformiteit van de dienstverlening.
Marktconformiteit wordt minimaal eens per drie jaar getoetst. - Bij iedere selectie worden minimaal twee offertes opgevraagd en worden vooraf selectiecriteria vastgesteld.
- Bij uitbesteding wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen van het pensioenfonds en de geschiktheid van de uitvoerder op middellange termijn.
- Het bestuur zorgt voor adequate governance, inclusief het kunnen inhuren van contra‑expertise of aanvullende deskundigheid indien nodig.
(NB: “countervailing power” wordt niet letterlijk genoemd in het beleid, maar valt wél onder de verplichting om deskundigheid en toezichtkracht te borgen.) - Afspraken over beëindiging van de overeenkomst en waarborging van een ordentelijke overdracht zijn verplicht onderdeel van de contracten.
Dit omvat ook de waarborg dat het fonds werkzaamheden weer zelf kan uitvoeren of door een andere uitvoerder kan laten overnemen. - Het bestuur voert jaarlijks een evaluatie uit van alle uitbestede werkzaamheden aan de hand van vooraf vastgestelde criteria.
Indien structurele tekortkomingen worden geconstateerd, volgt bijsturing of heroverweging van de uitbesteding. - Het bestuur monitort tussentijds de naleving van afspraken, onder andere via rapportages, incidentmeldingen en overleg met de uitvoerder.
- Het uitbestedingsbeleid wordt minimaal elke twee jaar geëvalueerd, en is laatstelijk vastgesteld in december 2024.
De ICT‑bijlage (KOB ICT-dienstverlening) wordt jaarlijks geëvalueerd. - Databeveiliging, privacy (AVG) en digitale weerbaarheid (DORA) zijn integraal onderdeel van de uitbestedingsovereenkomsten, inclusief auditrechten en eisen aan data‑eigenaarschap, locatie en beveiliging.
- Het fonds onderhoudt een contractenregister en informatieregister met alle relevante gegevens van uitbestede diensten.
4.3.2 Beleggingsbeleid
Beleggingsbeleid
Het pensioenfonds doorloopt voor de totstandkoming en uitvoering van het strategisch beleggingsbeleid onderstaande beleggingscyclus:
In lijn met de prudent person regel, sluit het strategisch beleggingsbeleid aan bij de doelstellingen, Investment Beliefs en risicohouding van het pensioenfonds:
Doelstellingen
De voornaamste financiële doelstellingen van het pensioenfonds zijn:
- Het waarborgen van de opbouw van de pensioenaanspraken overeenkomstig de in het reglement vastgelegde bepalingen.
- Het minimaliseren van de kansen op een dekkings- en reservetekort, alsmede van de mate van dekkings- en reservetekort.
- Het maximaliseren van het beleggingsrendement (binnen de risicokaders) om de nagestreefde toeslagen te realiseren.
De doelstelling van het beleggingsbeleid (in samenhang met bovenstaande doelstellingen) is:
Het op lange termijn realiseren van een zo hoog mogelijk rendement uitgaande van de strategische asset allocatie bij een acceptabel risico, rekening houdend met en passend bij de verplichtingenstructuur van het pensioenfonds.
Investment Beliefs
Ten aanzien van de gestelde doelen heeft het bestuur Investment Beliefs geformuleerd die - tezamen met de ‘prudent person’ regel - het kader vormen waarbinnen het beleggingsbeleid wordt uitgevoerd. Het pensioenfonds heeft haar Investment Beliefs meest recentelijk in 2023 geactualiseerd.
De Investment Beliefs van het pensioenfonds zijn als volgt:
1. Ambitieniveau en pensioenverplichtingen zijn leidend.
De beleggingsportefeuille dient zodanig ingericht te worden dat het rendements-/risicoprofiel op lange termijn zo goed mogelijk aansluit bij het ambitieniveau, de risicobereidheid en de onderhavige verplichtingen van het pensioenfonds.
2. Wij hanteren de strategische vermogensallocatie, inclusief afdekkingsstrategieën, als de meest bepalende beleggingsbeslissing voor het rendement en het risico van de portefeuille.
3. Diversificatie of spreiding verbetert de verhouding tussen rendement en risico.
Het bestuur is van mening dat spreiding over meerdere beleggingscategorieën en risicobronnen bijdraagt aan een stabiele ontwikkeling van de dekkingsgraad. Diversificatie is dan ook een uitgangspunt bij de inrichting van de portefeuille. Hierbij kijkt het bestuur wel kritisch naar de verwachte diversificatievoordelen. Sommige beleggingscategorieën lijken diversificatievoordeel op te leveren, maar zijn in de praktijk sterk afhankelijk van bestaande risicobronnen in de portefeuille. Daarnaast kunnen correlaties oplopen in extreme situaties, waardoor diversificatievoordelen verminderen.
4. Beleggingsrisico wordt beloond.
Risicomanagement is geïntegreerd in het beleggingsproces: risico en rendement kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er zijn beleggingscategorieën te vinden waarmee, door het nemen van risico, een risicopremie verdiend kan worden. Voor elke beleggingscategorie wordt de afweging gemaakt of tegenover het risico in verwachting een adequate vergoeding staat. Het pensioenfonds verwacht dat onder andere de risicofactoren aandelen, krediet en illiquiditeit op lange termijn worden beloond met een passend rendement.
5. Rente- en valutarisico worden in hoge mate als onbeloond gezien.
Het pensioenfonds gelooft dat rente- en valutabewegingen niet te voorspellen zijn. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan risicobeheersing worden deze risico’s strategisch afgedekt, waarbij de mate van afdekking afhangt van de specifieke eigenschappen van het risico ten aanzien van verplichtingen en dekkingsgraad en de mogelijkheden om de afdekking efficiënt en beheerst uit te voeren.
6. Individuele beleggingscategorieën moeten voldoende omvang hebben om een materiële bijdrage te kunnen leveren aan de portefeuille en om de toename van complexiteit van de portefeuille te kunnen verantwoorden.
7. Passief beheer.
Er bestaan inefficiënties in financiële markten, maar het is onzeker of het pensioenfonds hier de voordelen van kan realiseren. Dit komt door de hogere kosten en de twijfel of strategieën die hierop inspelen houdbaar zijn voor de langere termijn. Om deze reden is passief beleggen het uitgangspunt. Hiermee wordt bedoeld beleggen met als doelstelling het halen van een vergelijkbaar rendement als de relevante index. Hierbij worden geen eigen actieve keuzes voor beleggingstitels gemaakt. Doelstelling is tevens de transactiekosten zo laag mogelijk te houden.
8. Maatschappelijk verantwoord beleggen loont.
De wereld en daarmee het pensioenfonds is gebaat bij een samenleving, waarin met respect wordt omgegaan met mens en milieu en waarin voldoende aandacht wordt gegeven aan het goed besturen van ondernemingen en andere instituties. Het pensioenfonds is ervan overtuigd dat verantwoord beleggen bijdraagt aan verantwoorde, stabiele en goede beleggingsresultaten en dat het tevens uitdrukking geeft aan de maatschappelijke betrokkenheid van het pensioenfonds.
9. Uitbesteding van delen van het beleggingsproces is noodzakelijk om voor elk onderdeel in het proces de gepaste kennis en expertise in huis te halen.
10. Kostenbewustzijn is essentieel bij het inrichten van een beleggingsportefeuille. Verwachte opbrengsten zijn onzeker, maar kosten merendeels niet.
Risicohouding
De risicohouding van het pensioenfonds voldoet aan de prudent person regel en komt tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen grenzen in het kader van de haalbaarheidstoets. Voor de korte termijn vertaalt dit zich in de hoogte van het vereist eigen vermogen en de bijbehorende bandbreedte.
Voor toepassing binnen de in 2023 uitgevoerde ALM-studie zijn de volgende kritische grenzen gedefinieerd:
- Minimaal vereiste dekkingsgraad: 104,3%.
- VEV-bandbreedte: 119,0% - 125,0%.
- Toeslagrealisatie: min 30%, jaarlijkse kortingskans: maximaal 8%, omvang korting:
maximaal 10%, omvang korting (1e percentiel): 45%.
Voor toepassing binnen de haalbaarheidstoets zijn de volgende grenzen gedefinieerd:
- Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit het vereiste vermogen: 100%.
- Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit de feitelijke financiële positie: 90%.
- Maximale afwijking bij slechtweerscenario: 50%.
Risicohouding korte termijn (tot 3 jaar)
De mate waarin beleggingsrisico’s worden gelopen komt terug in het vereist eigen vermogen (VEV), zijnde de omvang van het eigen vermogen waarover een pensioenfonds, gegeven een bepaald risicoprofiel, zou moeten beschikken. Op basis van de uitgangssituatie van 1 januari 2015 is de risicohouding op korte termijn geformuleerd als een bandbreedte voor het strategische VEV ter grootte van 119,0% - 125,0%. Zodra het strategische VEV buiten deze bandbreedte komt, of dreigt te komen, wordt het risicoprofiel van het pensioenfonds, in overleg met cao-partijen heroverwogen. Daarnaast wordt gekeken naar het feitelijke VEV, welke binnen dezelfde bandbreedte van +/- 3% om het strategische VEV moet bewegen. Zodra het feitelijke VEV buiten deze bandbreedtes treedt dan wordt dit besproken met de uitvoerend bestuurders en vervolgens in het bestuur.
Het pensioenfonds brengt op basis van het VEV de financiële risico’s in kaart met behulp van de voor het VEV voorgeschreven wegingsmethode. Hieruit blijkt dat het renterisico en marktrisico’s de belangrijkste risico’s voor het pensioenfonds zijn. Het renterisico wordt deels afgedekt (60%) evenals het valutarisico. Het marktrisico wordt voor zover mogelijk beperkt door voldoende spreiding in de beleggingsportefeuille aan te brengen.
Strategisch beleggingsbeleid en doorvertaling
Het strategisch beleggingsbeleid wordt ten minste iedere drie jaar geëvalueerd en gedocumenteerd. Het strategisch beleggingsbeleid is tot stand gekomen op basis van de in 2023 uitgevoerde ALM-studie met als input de doelstellingen en ambitie, de Investment Beliefs ten aanzien van risicobronnen, de evaluatie van beleggingscategorieën, de risicohouding van het pensioenfonds en de verwachte rendementen.
De voornaamste uitkomsten van deze ALM-studie zijn:
- Het handhaven van de bestaande match/return-verdeling (35/65%) en niveau van de renteafdekking (60%).
- Het afbouwen van de allocatie naar staatsobligaties opkomende landen ten gunste van de overige categorieën in de liquide returnportefeuille
Het beleggingsplan betreft een jaarlijkse vertaling hiervan met concrete en gedetailleerde normgewichten en bandbreedtes per beleggingscategorie.
Implementatie & uitbesteding vloeit voort uit het beleggingsplan. Er zijn afspraken gemaakt met de fiduciair manager en de vermogensbeheerders via Investment Management Agreements (IMA’s) en SLA’s. Ten behoeve van de monitoring worden diverse rapportages ontvangen van de relevante partijen. Op een aantal specifieke onderdelen is beleid geformuleerd, namelijk over manager selectie en monitoring, tegenpartijen en securities lending.
4.3.3 Uitvoeringskosten
Het pensioenfonds probeert volledige inzage in de kosten te geven, waarbij de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd worden. De kosten pensioenbeheer worden gerapporteerd in euro per deelnemer. Het aantal deelnemers is het totaal van het aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden ultimo jaar. Alle bedragen in deze paragraaf zijn in € 1.000, tenzij anders aangegeven.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Totale kostenratio | 0,77% | 0,61% |
| Pensioenuitvoeringskosten | ||
| Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten | 10.531 | 6.841 |
| Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten | 6.775 | 5.680 |
| Kosten pensioenbeheer incl. projectkosten per deelnemer (x € 1,-) | 264,29 | 190,57 |
| Kosten pensioenbeheer excl.projectkosten per deelnemer (x € 1,-) | 170,03 | 158,23 |
| Vermogensbeheerkosten | ||
| Totaal vermogensbeheerkosten | 9.784 | 7.481 |
| Totaal beheerskosten | 7.761 | 6.982 |
| Totaal transactiekosten | 2.023 | 499 |
| Totaal vermogensbeheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) | 0,41% | 0,33% |
| Totaal beheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) | 0,33% | 0,31% |
| Totaal transactiekosten (in % van het gem. belegd verm.) | 0,09% | 0,02% |
De totale kostenratio geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen. Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens als belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Dit percentage heeft het pensioenfonds conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen.
De totale kostenratio van 0,77% bestaat uit 0,45% aan pensioenuitvoeringskosten en 0,33% aan vermogensbeheerkosten (exclusief transactiekosten). *
Uit de benchmark rapportage die het pensioenfonds door Bell Pension Consultants en Actuaries in 2025 liet uitvoeren bleek dat in 2024 de gemiddelde van de totale kostenratio in de periode 2022 - 2024 0,66% bedroeg, terwijl dit in de peer group 0,53% was.
* In verband met berekeningen met onafgeronde cijfers kunnen afrondingsverschillen ontstaan.
4.3.3.1 Toelichting pensioenuitvoeringskosten
De kosten pensioenbeheer bestaan uit de volgende componenten:
- Kosten deelnemer.
- Kosten werkgever.
- Kosten bestuur en financieel beheer.
- Kosten projecten.
De kosten deelnemer hebben betrekking op alle werkzaamheden die de administratie van het pensioenfonds verricht om de pensioenaanspraken te administreren, de uitkeringen van de pensioengerechtigden te verzorgen en alle actieven, niet-actieven en pensioengerechtigden te informeren. Te denken valt hierbij aan het verwerken van waardeoverdrachten, het afkopen van kleine pensioenen, het toekennen van pensioenen en de communicatie met alle doelgroepen (helpdesk, website, pensioenplanner, nieuwsbrief, Uniform Pensioenoverzicht, pensioen 1-2-3, enzovoorts).
De kosten werkgever hebben betrekking op alle activiteiten die voortvloeien uit het beheer van het bestand van aangesloten werkgevers, de aanlevering en verwerking van de werknemersgegevens, het opleggen en innen van de pensioenpremies en het onderhouden van de contacten met die werkgevers.
De kosten bestuur en financieel beheer hebben betrekking op de bestuurlijke kosten (bestuur, verantwoordingsorgaan en auditcommissie), het voeren van het secretariaat, het opstellen van het jaarverslag en het samenstellen van financiële rapportages, de kosten van het wettelijk toezicht (DNB, AFM) en de advies- en controlekosten (actuaris, accountant, aan derden uitbestede activiteiten).
De projectkosten in 2025 zijn gemaakt in het kader van de Wet toekomst pensioenen.
De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor Bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling wordt ieder jaar vastgesteld door het Bestuur. Deze toerekening van kosten is niet op de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.
In de volgende tabel is een specificatie opgenomen van de kosten pensioenbeheer die het pensioenfonds in het verslagjaar heeft gemaakt. Tevens worden ter vergelijking de kosten van 2024 weergegeven.
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Administratiekostenvergoeding | ||
| Administratie, communicatie en uitvoering | 4.654 | 3.955 |
| Kosten bestuur en financieel beheer | ||
| Bestuursondersteuning | 574 | 590 |
| Toezichtkosten | ||
| DNB | 102 | 75 |
| AFM | 25 | 16 |
| Verantwoordingsorgaan | 16 | 12 |
| Advies- en controlekosten | ||
| Actuaris | 142 | 142 |
| Accountant en compliance | 79 | 113 |
| Pensioenfederatie | 21 | 18 |
| Kosten bestuur en vergaderingen | 348 | 331 |
| Diverse adviseurs | 224 | 191 |
| Overige kosten | 592 | 239 |
| Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten | 6.775 | 5.680 |
| Projectkosten | 3.756 | 1.161 |
| Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten | 10.531 | 6.841 |
| Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer | ||
| Kosten accountant/adviseur | 159 | 134 |
| Kosten bestuursondersteuning | 283 | 291 |
| Kosten bestuur | 363 | 342 |
| Overige kosten | 732 | 453 |
| Totaal toegerekend aan kosten vermogensbeheer | 1.537 | 1.220 |
| Totaal pensioenbeheerskosten in de jaarrekening | 12.068 | 8.061 |
| Actieve deelnemers | 32.280 | 29.095 |
| Pensioengerechtigden | 7.567 | 6.803 |
| Aantal actieve deelnemers + pensioengerechtigden | 39.847 | 35.898 |
| Pensioenbeheerskosten incl. projectkosten in euro per deelnemer | 264,29 | 190,57 |
| Pensioenbeheerskosten excl. projectkosten in euro per deelnemer | 170,03 | 158,23 |
De totale pensioenuitvoeringskosten van 2025 komen uit op € 10.531, dit is een stijging ten opzichte van 2024 met € 3.690. Deze stijging wordt met name veroorzaakt door de projectkosten voor de Wet toekomst pensioenen die in 2025 zijn gestegen met € 2.595. Daarnaast is de administratiekostenvergoeding met € 699 gestegen. Hierin zijn de administratie-, communicatie- en uitvoeringskosten opgenomen. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door kosten voor DORA en Wet digitale overheid. De kosten bestuursondersteuning zijn in 2025 gedaald met € 16. De overige kostensoorten zijn per saldo toegenomen met € 412.
Oordeel bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (de Pensioenfederatie) beoordeeld of de pensioenbeheerkosten passend zijn in relatie tot het serviceniveau, complexiteit van het pensioenfonds en de pensioenregelingen, de communicatiestrategie van het pensioenfonds en de waardeoverdrachten. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is.
In november 2025 kwam benchmarkvergelijking over het jaar 2024 via Bell Pension Consultants & Actuaries beschikbaar voor het bestuur. Het bestuur heeft deze in februari 2026 in de bestuursvergadering besproken. Een belangrijke conclusie daaruit was dat de totale pensioenbeheerkosten, de Wtp‑kosten en de vermogensbeheerkosten van PPB lager zijn dan de benchmark.
Het bestuur hanteert de vergelijking op basis van het genoemde benchmarkrapport. De meest recent in de sector bekende benchmark is die over het jaar 2024. De kosten voor pensioenuitvoering per deelnemer bedroegen bij het pensioenfonds over 2024 volgens de rapportage € 191,-. Het gemiddelde van de pensioenbeheerkosten was in de periode 2022 - 2024 bij het pensioenfonds € 187,- tegenover
€ 221,- van de Peergroup van pensioenfondsen waarmee het pensioenfonds kan worden vergeleken.
Het bestuur vindt de uitvoeringskosten van € 191,- per deelnemer acceptabel. Op basis van de vergelijking in benchmark zijn deze kosten in lijn met, zelfs lager dan de mediaan van vergelijkbare pensioenfondsen. Daarnaast is het bestuur van mening dat de kosten passen bij de dienstverlening die het pensioenfonds biedt aan zijn stakeholders. De toename van de kosten ten opzichte van voorgaande jaren is verklaarbaar door onder andere projectkosten en gestegen kosten bij uitbestede partijen (indexatie). Er is bij het fonds wel een stijgende lijn waarneembaar ten aanzien van die kosten.
Deze toename is niet wenselijk in de zin dat het bestuur een stabiliserende of zelfs dalende trend in de kosten wil bewerkstelligen. Gezien de wettelijke ontwikkelingen (Wet toekomst pensioenen) blijkt al over het verslagjaar 2024 dat dit een uitdaging vormt met de uitvoeringskosten van € 191,- per deelnemer. Niettemin blijft het bestuur hierop sturen. Hierop wordt in de paragraaf Vooruitblik 2025 nader ingegaan.
4.3.3.2 Toelichting vermogensbeheerkosten
Het inzicht in en de beheersing van kosten van vermogensbeheer in de pensioensector heeft grote aandacht gekregen. Het beleid is gericht op het verhogen van inzicht, om de kosten nog beter te kunnen beheersen en te reduceren, met behoud van rendement. Het pensioenfonds volgt in de presentatie van de kosten van vermogensbeheer de “Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in november 2011 en de “Nadere uitwerking kosten vermogensbeheer herziene versie met aanvullingen van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in februari 2016.
| Transactiekosten | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2025 | Beheerkosten | Performance gerelateerde kosten |
Transactiekosten excl. aan- verkoopkosten |
Aan- en verkoopkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 883 | -18 | -6 | -58 | 801 |
| Aandelen | 520 | - | 72 | - | 592 |
| Alternatieve beleggingen | 776 | -7 | 78 | - | 847 |
| Vastrentende waarden | 706 | - | 934 | 734 | 2.374 |
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay | 2.885 | -25 | 1.078 | 676 | 4.614 |
| Kosten overlay beleggingen | - | 0 | 269 | 269 | |
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay | 2.885 | -25 | 1.078 | 945 | 4.883 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. | 1.537 | 1.537 | |||
| Fiduciair beheer | 2.628 | 2.628 | |||
| Bewaarloon | 120 | 120 | |||
| Advieskosten vermogensbeheer | 90 | 90 | |||
| Overige kosten | 526 | 526 | |||
| Totaal overige vermogensbeheerkosten | 4.901 | 4.901 | |||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 7.786 | 9.784 | |||
| Transactiekosten | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2024 | Beheerkosten | Performance gerelateerde kosten |
Transactiekosten excl. aan- verkoopkosten |
Aan- en verkoopkosten | Totaal |
| Kosten per beleggingscategorie | |||||
| Vastgoed | 991 | -261 | 35 | -6 | 759 |
| Aandelen | 464 | - | 83 | 547 | |
| Alternatieve beleggingen | 748 | 11 | 68 | 42 | 869 |
| Vastrentende waarden | 825 | - | 252 | -96 | 981 |
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay | 3.028 | -250 | 438 | -60 | 3.156 |
| Kosten overlay beleggingen | - | 0 | 121 | 121 | |
| Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay | 3.028 | -250 | 438 | 61 | 3.277 |
| Overige vermogensbeheerkosten | |||||
| Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. | 1.220 | 1.220 | |||
| Fiduciair beheer | 2.335 | 2.335 | |||
| Bewaarloon | 119 | 119 | |||
| Advieskosten vermogensbeheer | 77 | 77 | |||
| Overige kosten | 453 | 453 | |||
| Totaal overige vermogensbeheerkosten | 4.204 | 4.204 | |||
| Totaal kosten vermogensbeheer | 7.232 | 7.481 | |||
Toelichting op vermogensbeheerkosten
Op totaalniveau zijn de kosten sterk gestegen met een procentuele stijging van ongeveer 30,78%. Deze stijging van de kosten laat zich dan ook vooral verklaren door:
- Een toename van de kosten voor vastrentende waarden (van circa € 1,0 miljoen in 2024 naar circa € 2,4 miljoen in 2025).
Deze stijging hangt in belangrijke mate samen met hogere transactiekosten, onder meer als gevolg van discretionaire transacties binnen de portefeuille vastrentende waarden (waaronder transacties in het Eurobonds‑fonds) en hogere transactiekosten bij BlackRock en Columbia Threadneedle.
Hieronder een toelichting op een aantal andere kostenposten in 2025:
- Conform de aanbeveling van de Pensioenfederatie wordt voor alle categorieën waarbij in een fonds wordt belegd een volledige look‑through van transactiekosten toegepast. Bij look‑through is een correctie gemaakt voor de in‑ en uitstapvergoedingen bij beleggingsfondsen, door het pro rata deel van deze vergoedingen te salderen met de door het pensioenfonds betaalde in‑ en uitstapvergoedingen. Daarnaast wordt het pro rata deel van de transactiekosten binnen een beleggingsfonds toegerekend aan het pensioenfonds.
- De kosten voor vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursondersteuning, alsmede de advieskosten, waren in 2025 hoger dan in 2024. Deze stijging is onder meer toe te schrijven aan indexering van tarieven en aan extra werkzaamheden in verband met de implementatie van de Wet toekomst pensioenen(Wtp).
In 2025 zijn de totale kosten van het vermogensbeheer € 9.784, wat gesplitst kan worden in € 7.761 aan beheerkosten (inclusief de performance gerelateerde kosten en overige vermogensbeheerkosten) en € 2.023 aan transactiekosten.
Met een gemiddeld belegd pensioenvermogen over 2025 van € 2.363.501 komen de totale kosten vermogensbeheer uit op 0,41% (2024: 0,33%), waarvan 0,33% beheerkosten (2024: 0,31%) en 0,09% transactiekosten (2024: 0,02%) van het gemiddeld belegd vermogen.
Bruto en netto rendement
Het rendement van de portefeuille van het pensioenfonds wordt afgezet tegen een benchmark. Dit gebeurt om de resultaten te kunnen beoordelen. Het rendement van de totale portefeuille in 2025 was -4,57%. De benchmark was -4,30%. Dit betekent dat het pensioenfonds een ‘underperformance’ had van 0,29%. Na beheerkosten (12bp) wordt de underperformance nog iets groter.
* In verband met berekeningen met onafgeronde cijfers kunnen afrondingsverschillen ontstaan.
Rendement op langere termijn en risico
Het pensioenfonds is een passieve belegger en heeft de beleggingsportefeuille dan ook (grotendeels) als zodanig ingericht. De strategische portefeuille is een uitvloeisel van de pensioenambities alsook de beleggingsovertuigingen van het pensioenfonds. Het pensioenfonds monitort periodiek of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie nog actueel zijn en of met de huidige strategische portefeuille invulling kan worden gegeven aan de risicohouding (pensioenambities) van het pensioenfonds. Als uit deze periodieke monitoring blijkt dat de strategische portefeuille onvoldoende toereikend is en/of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie niet langer actueel zijn onderneemt het bestuur van het pensioenfonds, in overleg met de sociale partners, verdere actie.
Prestatie gerelateerde vergoedingen
Het pensioenfonds betaalt een prestatievergoeding voor de beleggingen in zowel Infrastructuur als Privaat vastgoed. De totale prestatievergoeding bedraagt over 2025 circa - € 25.000,- versus een bedrag van - € 250.000,- over 2024. Een lagere prestatievergoeding betekent dan ook dat de performance van deze twee categorieën over 2025 significant lager is geweest.
Benchmarking
Bell Pension Consultants & Actuaries heeft op verzoek van het bestuur van het pensioenfonds een benchmarkonderzoek uitgevoerd naar de door het pensioenfonds gemaakte uitvoeringskosten. Dit benchmarkonderzoek heeft betrekking op de door het pensioenfonds gemaakte kosten over de periode (2022 t/m 2024) in vergelijking met een peergroup van 62 (vergelijkbare) pensioenfondsen. Over de gemeten periode bedragen de gemiddelde vermogensbeheerkosten (exclusief transactiekosten) 0,35% van het belegde vermogen. De mediaan binnen de peergroup is 0,33%. Er zijn 27 fondsen met hogeren kosten en 34 fondsen hebben lagere kosten.
Voor wat betreft de transactiekosten geldt dat het driejaarsgemiddelde van het pensioenfonds (0,06%) onder het gemiddelde van de peergroup (0,08%) ligt.
Oordeel bestuur over de kosten van vermogensbeheer
Het bestuur heeft conform de “Aanbevelingen uitvoeringskosten (De Pensioenfederatie)” beoordeeld of de vermogensbeheerkosten in relatie tot de assetallocatie en de benchmarkkosten en het rendement op lange termijn en het benchmarkrendement passend zijn. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is, waarbij het bestuur zich heeft gebaseerd op de vergelijking met andere pensioenfondsen die zijn opgenomen in het benchmarkingrapport 2022 t/m 2024 van Bell. Het bestuur concludeert dat de door het pensioenfonds gemaakte vermogensbeheerkosten in lijn zijn met wat in de markt gebruikelijk is, kijkend naar zowel de strategische allocatie alsook de omvang van het belegde pensioenvermogen.
4.3.4 Klokkenluiders- en Incidentenregeling
Het pensioenfonds beschikt over een Klokkenluidersregeling en een afzonderlijke Incidentenregeling. Beide regelingen bevatten procedures voor het intern en extern melden van incidenten en (vermoedens van) misstanden, evenals waarborgen voor de bescherming van melders die te goeder trouw handelen. Het bestuur stimuleert dat ook de dienstverleners van het fonds over passende regelingen beschikken.
In 2025 heeft zich één datalek voorgedaan die gemeld is bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Bij pensioenadministrateur TKP hebben zich in 2025 vijftien operationele incidenten voorgedaan waarover is gerapporteerd en die zijn vastgelegd in het Incidentenregister. Deze zijn naar behoren opgelost.
De Wet bescherming klokkenluiders is op 18 februari 2023 inwerking getreden. Het doel van deze wet is om melders van een misstand beter te beschermen. In december 2023 heeft de Pensioenfederatie een geactualiseerd model Klokkenluidersregeling gepubliceerd die aan de Wet bescherming klokkenluiders voldoet. Het pensioenfonds heeft in de eerste helft van 2024 de de aangepaste klokkenluidersregeling geïmplementeerd.
Per 17 januari 2025 is de Digital Operational Resilience Act (DORA) van toepassing. Dit is een Europese regelgeving. Als gevolg van de implementatie van DORA zijn diverse beleidsdocumenten geactualiseerd, waaronder de incidentenregeling.
4.3.5 Klachten en geschillen
Luisteren naar deelnemers en daarnaar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (september 2024) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. In 2025 hebben we ons ingezet op verdere professionalisering van klachtenmanagement met als belangrijk resultaat dat we 92% scoorden op de naleving van de Gedragslijn Goed omgaan met klachten – ruim boven de sectornorm van 84%.
We hanteren de wettelijke bredere definitie van een klacht: elke uiting van ontevredenheid van een persoon gericht aan de pensioenuitvoerder. Dat betekent dat uitingen van ongenoegen die via verschillende kanalen bij ons binnenkomen worden beschouwd als een klacht. Pensioenfonds Particuliere Beveiliging ziet ieder klantsignaal en ieder contact met een persoon waaruit blijkt dat niet is voldaan óf juist wel is voldaan aan de verwachtingen als een kans. Dit vraagt om een werkwijze waarbij alle klantsignalen structureel worden vastgelegd en geanalyseerd om mogelijke verbeterrichtingen te bepalen. Op basis van prioritering wordt vervolgens besloten welke signalen worden opgepakt en uitgewerkt tot een verbeterinitiatief. Door daarna terug te koppelen aan bijvoorbeeld deelnemers, werkgevers, medewerkers of melders over wat er met hun signaal is gedaan (of waarom niet), wordt de feedbackloop gesloten.
Met onze werkwijze sluiten wij aan bij de verwachtingen van de deelnemers en werkgevers. Bovendien is het fonds zo goed in staat om verwachtingen en vragen van deelnemers over het nieuwe stelsel goed vast te leggen en om te zetten. Ten opzichte van 2024 is het aantal klachten over de nieuwe pensioenregeling toegenomen van 1 naar 15.
In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen over 2025 toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. Een geëscaleerde klacht is een klacht die niet in één keer, naar tevredenheid van de klant, is opgelost. Klachten die niet in onderling overleg worden opgelost, kunnen uitmonden in een geschil. Geschillen kunnen door de deelnemer worden voorgelegd aan de Geschillen Instantie Pensioenfondsen (waarbinnen de deelnemer kan kiezen voor bemiddeling door de Ombudsman of beslechting) of de burgerlijke rechter.
De tabel hieronder toont de AFM-rubrieken. Onze pensioenuitvoeringsorganisatie gebruikt daarnaast een uitgebreidere classificatielijst voor meer detail en beter inzicht in alle klantsignalen.
| Rubriek gedragslijn | Aantal klachten | Waarvan geëscaleerd | Aantal geschillen |
|---|---|---|---|
| o service en klantgerichtheid | 1 | 0 | 0 |
| o behandelingsduur | 0 | 0 | 0 |
| o informatieverstrekking | 10 | 1 | 0 |
| o deelnemersportaal | 10 | 0 | 0 |
| o keuzebegeleiding | 0 | 0 | 0 |
| o pensioenberekening en -betaling | 181 | 2 | 0 |
| o registratie werknemersgegevens/datakwaliteit | 14 | 0 | 0 |
| o toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 27 | 1 | 0 |
| o toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 15 | 1 | 0 |
| o financiële situatie | 0 | 0 | 0 |
| o duurzaamheid | 0 | 0 | 0 |
| o overig | 2 | 0 | 0 |
| Totaal | 260 | 5 | 0 |
Op basis van de uitkomsten hebben we onder andere de volgende verbetering doorgevoerd:
Verduidelijking partnerpensioen bij pensioenaanvraag
Informatie over klantcontacten was verspreid over meerdere systemen en kanalen waardoor een samenhangend beeld ontbrak. Door uiteenlopende classificaties was het combineren en analyseren van data ingewikkeld. Rapportages over deelnemersvragen en- en klachten kostten veel tijd en leverde beperkte inzichten op.
Oplossing
Er is één uniforme indeling gemaakt, waarbij de classificatie gekoppeld is aan producten, diensten (PDC) en klantreizen. De integratie van sentimentanalyse en klantsignalen zorgt voor rijkere inzichten in de behoeften en ervaringen van deelnemers.
Verder voert onze pensioenuitvoeringsorganisatie een periodieke meting uit naar de klanttevredenheid over de behandeling van klachten (de Klanttevredenheidsmonitor ‘Ik heb een klacht’). Deze meting wordt vier keer per jaar verstuurd naar aanleiding van een uiting van onvrede of een ingediende klacht en bevat onder meer vragen over de tevredenheid van de deelnemer over onze reactie of geboden oplossing en het algehele klachtenproces. Voor Pensioenfonds Particuliere Beveiliging komt de gemiddelde tevredenheid over 2025 (Q1–Q3) uit op een 6,0 op een 10-puntsschaal. Op basis van deze metingen ontstaat het beeld dat de tevredenheid over de klachtbehandeling wisselend is en dat er ruimte is voor verbetering in de ervaren afhandeling van klachten, waarbij de uitkomsten mede moeten worden bezien in het licht van het in sommige gevallen beperkte aantal ingevulde vragenlijsten.
4.4 Actuariële analyse
Analyse van het resultaat*
In de volgende tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van het pensioenfonds vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen kunnen afwijken van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.
* Genoemde bedragen zijn x € 1.000
| (bedragen x € 1.000) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Resultaat op beleggingen | -160.737 | 164.197 |
| Resultaat op wijziging RTS | 436.402 | -52.695 |
| Resultaat op premie | -12.691 | -8.163 |
| Resultaat op toeslagverlening | 0 | -29.227 |
| Resultaat op waardeoverdrachten | 503 | 1.072 |
| Resultaat op kosten | -4.341 | -1.505 |
| Resultaat op uitkeringen | -37 | -15 |
| Resultaat op kanssystemen | 2.770 | 6.749 |
| Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -19.559 | 22.114 |
| Resultaat op andere oorzaken | 54 | 226 |
| Totaal saldo van baten en lasten | 242.364 | 102.753 |
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- Alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer.
- De rentelasten over vreemd vermogen, achtergestelde leningen en rekening courantverhoudingen met andere partijen.
- De benodigde interesttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars spot rate uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaareinde van het vorige verslagjaar.
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt - € 160.737. Hiervan bestaat - € 114.743 uit beleggingsopbrengsten en - € 45.994 uit de benodigde rentetoevoeging aan de TV.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De mutatie van de verplichtingen voor risico pensioenfonds als gevolg van de renteverandering in het boekjaar betreft de mutatie als gevolg van het verschil tussen de forward RTS-curve (inclusief UFR) vanuit de curve ultimo 2024 en de nieuwe RTS-curve (inclusief UFR) per einde van het verslagjaar.
De gestegen rente zorgt voor een daling van de TV. Dit levert een positieve bijdrage aan het resultaat in het boekjaar. Het totale resultaat van de wijziging van de rente bedraagt € 436.402.
Premie
Het resultaat op premie wordt vastgesteld door de totaal ontvangen premie af te zetten tegen de actuarieel benodigde premie.
Om het resultaat op premie correct vast te stellen wordt de saldering van alle baten en lasten in verband met premie afgezet tegen de mutatie van de technische voorzieningen als gevolg van inkoop van aanspraken.
De lasten in verband met premie bestaan uit het deel van de ontvangen premie dat bestemd is voor dekking van de directe uitvoeringskosten en het deel dat bestemd is voor dekking van de toekomstige uitvoeringskosten horend bij de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken in het verslagjaar.
De mutatie van de TV in verband met premie bestaat uit de volgende onderdelen:
- De inkoop van nieuwe aanspraken, exclusief opslag voor toekomstige uitvoeringskosten.
- De overlijdensrisicokoopsom voor nog niet gefinancierd verzekerd nabestaandenpensioen.
- De risicokoopsom voor arbeidsongeschiktheid.
Het resultaat op premie bedraagt - € 12.691.
Toeslagverlening
Er is geen toeslag verleend per 1 januari 2026 vanwege de overgang naar de Wtp. Er is daarom ook geen resultaat op toeslagverlening.
Waardeoverdrachten
Deelnemers hebben (onder voorwaarden) de mogelijkheid de waarde van hun elders opgebouwde aanspraken naar het pensioenfonds over te dragen. De overgedragen waarde wordt, op basis van wettelijk vastgestelde tarieven, omgezet in aanspraken in het pensioenfonds. Visa versa hebben gewezen deelnemers (onder voorwaarden) de mogelijkheid de waarde van hun opgebouwde aanspraken over te dragen naar een ander pensioenfonds of verzekeraar. Doordat de grondslagen waar de wettelijke tarieven op gebaseerd zijn afwijken van de grondslagen zoals die door het fonds zijn vastgesteld, ontstaat een actuarieel resultaat bij waardeoverdrachten.
Het resultaat op waardeoverdrachten bedraagt € 503.
Resultaat op kosten
Het resultaat op kosten wordt bepaald door de benodigde kosten af te zetten tegen de beschikbare kosten. Het bestuur heeft besloten de projectkosten Wtp (€ 4.341) geen onderdeel te laten zijn van de premieberekening, dit zorgt voor een negatief resultaat op kosten. De projectkosten Wtp zorgen dus voor het negatieve resultaat op kosten.
Het resultaat op kosten bedraagt - € 4.341.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt € 2.770.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Door gewijzigde grondslagen of andere, incidentele redenen kan de TV een wijziging ondergaan.
Het resultaat door wijziging van de grondslagen van de TV bedraagt - € 19.119. Een aanpassing van de actuariële grondslagen of methoden in het verslagjaar leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de prudentie van de grondslagen. Het pensioenfonds heeft de kostenvoorziening aangepast. Het pensioenfonds hanteerde een opslag op de netto voorziening van 3,8% en heeft dit vanwege de overgang naar de Wtp gewijzigd naar een eurobedrag op basis van een kasstroommodel. Deze aanpassing zorgt voor een stijging van de TV van € 19.119.
Het totale resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt - € 440.
Andere oorzaken
Dit zijn overige actuariële resultaten die ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van hetgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerdergenoemde categorieën.
Kostendekkende premie
De (zuivere) kostendekkende premie in enig kalenderjaar bevat de volgende elementen:
- de actuariële benodigde premie voor de inkoop van de onvoorwaardelijke onderdelen uit het pensioenreglement.
- een solvabiliteitsopslag die gelijk is aan het streefpercentage vereist eigen vermogen gebaseerd op het strategisch beleggingsbeleid.
- de opslag voor uitvoeringskosten van het pensioenfonds
De actuariële benodigde premie voor de inkoop van de onvoorwaardelijke elementen uit het pensioenreglement bestaat uit de volgende elementen:
- de in dat jaar benodigde actuariële koopsom voor de opbouw van de pensioenen in dat jaar
- de in dat jaar verschuldigde premie voor het arbeidsongeschiktheidsrisico
- de in dat jaar verschuldigde premie van overlijdensrisico
Deze bedragen zijn inclusief de opslag voor toekomstige uitvoeringskosten van 3,8%.
De inkoop van de onvoorwaardelijke pensioenen is bepaald op basis van de rentetermijnstructuur en overige actuariële grondslagen per 31 december 2025.
| Premiecomponent | Kostendekkende premie | Gedempte premie (ex post) | Gedempte premie (ex ante) | Feitelijke premie (ex post) |
|---|---|---|---|---|
| Inkoop onvoorwaardelijke opbouw | 107.199 | 47.069 | 41.114 | |
| Risicopremie overlijden | 2.298 | 1.507 | 1.561 | |
| Risicopremie arbeidsongeschiktheid | 11.497 | 5.130 | 4.481 | |
| Opslag toekomstige uitvoeringskosten | 4.161 | 1.846 | 1.622 | |
| Opslag uitvoeringskosten | 6.581 | 6.581 | 6.351 | |
| Solvabiliteitsopslag | 29.412 | 13.055 | 11.512 | |
| Premie voorwaardelijke onderdelen | 0 | 34.739 | 30.239 | |
| Ontvangen premie | 119.824 | |||
| Afrekening vorig jaar | 506 | |||
| Totale premie | 161.148 | 109.927 | 96.880 | 120.330 |